Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
kaarsje, maar half in zijn papieren huisje tegen uitwaaien
veilig. Een koene worp met de dobbelsteenen en zoo'n
halve dagbroer was het eigendom van onzen straatjongen ,
en daar staat hij me nu en stopt zijn zus een stuk van zijn
buit in den wijden mond, en met zijn tanden bijt hij nog
een stuk uit den broek van den dagbroer: dat is voor de
kameraad van zijn zus! Bravo , arme straatjongen ! Van
jou zal er zeker wel wat terecht komen, ten minste als de
goede God je over niet te langen tijd nog eens een anderen
royalen heer laat ontmoeten , een die niet denkt dat hij
al van je af is als hij je maar een paar centen heeft toe-
geduwd , een, die je naar school stuurt en die je later een
knappen baas bezorgt. Wie weet, mogelijk word je zelf
dan ook nog eens een knappe baas en help je dan je zus
er heelemaal bovenop, en de kameraad van je zus ook,
wie weet het ? Was het maar vast zoover als die kinderen
die ons daar voorbijgaan tusschen vader en moeder in,
om langs de winkels en kramen te wandelen en dan waar-
schijnlijk ook hier en daar (zij het ook niet juist in de
voorname magazijnen) enkele kleine inkoopjes te doen!
Veel kan vader niet missen en moeder heeft ook niet veel
kunnen oversparen voor deze gelegenheid (het is alles zoo
duur tegenwoordig en als je dan aan ieder het zijne zult
geven, huishuyr en zieken- en begrafenisfonds en zoo al
meer, dan komt er wat kijken!) doch dat neemt niet weg
dat de kinderen toch wat voor hun Sinterklaas moesten
hebben; en ze hebben dan ook al wat, de meisjes onder
haar schoudermanteltjes en die lekkere dikke jongen met
die wollen das om, of het hard vroor en het dan nog
maar beter was dat hij smoorde dan dat hij kou vatte:
wat stapt hij deftig naast zijn vader, en in zijn eene hand
heeft hij een houten paardje en in de andere twee stuks
suikergoed. Daar is één van voor Jantje thuis; die slaapt
nu gerust, want grootje is bij hem gebleven. Maar wat zal
hij morgenvroeg opkijken als hij dat stuk suikergoed in
zijn schoentje vindt en het hooi voor Sinterklaas zijn paard
is schoon opgegeten !
O lieve, beste Sinterklaas! Wat zijt gij toch een echte
„goedheilig man!" Gij weet het iedereen naar den zin
te maken. Niet alleen den jongen heertjes en de jonge
jufiertjes, die, wanneer ze morgen alles bij elkaar uitstal-
len wat bij grootouders en ooms en tantes , en waar niet
al, voor hen gereden werd, bijna ieder voor zich een
kleinen winkel konden beginnen, maar gij vervult ook de