Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
wie niet bang was nitgevallen ook wapens te krijgen waren
om de monsters te bevecbten, ja men kon zich. bier alle
wapens aanschaffen en alle uniformen die men noodig heeft
om menschen te beoorlogen, tot dodjes van revolvers on
mitrailleuses toe. Ziet daar is de krijg al uitgebroken 1
Honderden looden soldaatjes, infanterie en cavalerie, be-
legeren een vesting waar de dood hun uit tegenbraakt door
den mond van kanonnen, die bij de minste aanraking alles-
vernielende erwtjes uitblazen. Maar uw oog wendt zich
misschien reeds af, om met grooter welgevallen te rusten
op die netjes, sommigen niet onmogelijk wat al te zwierig
aangekleede poppen daar. ISfu geen wonder als zij u blind
maken voor al het overige. Hier schijnt het leven wel op
de daad betrapt. Echt haar , althans even echt als dat de
meeste echte dames u te zien geven. Oogen , neen maar ze
boren u tot binnen in de ziel; en kijk hier dan eens. Hier
ligt een kleintje gerust te slapen, maar als gij het uit zijn
ledikantje tilt dan opent het de gesloten oogjes, en drukt
gij het aan uw boezem dan stamelt het „pè" of „mè" of
iets dat het midden houdt tusschen die twee.
Ontrukken wij ons aan deze tooverwereld! Waar waren
wij ook ? O ja in een speelgoedwinkel en links en rechts
nevens, en vóór en achter ons, grooter en kleiner kin-
deren , met of zonder geleide , maar allen door den dien-
der of klepperman op de stoep waardig gekeurd om
tot dit paradijs te worden toegelaten, en allen in stille ot
luide verrukking.
Vermoedt gij misschien daarbuiten op een akelige tegen-
stelling te stooten ? 't Is waar, het heeft iets hards , die
arme drommels , die niet binnen mochten komen. Maar als
ge geneigd waart hen te beklagen, dan zouden zij u dat
zeiven wel afleeren. Wat hebben die straatjongens een
pleizier! Mogelijk is hun pret wel wat ruw, maar daar
zijn het dan ook straatjongens voor, en hier is er een . . .
ik vrees dat die kapotte klomp van hem niet geheel water-
dicht is, en het lijkt wel dat hij pas met zijn voeten uit
een volle goot komt; maar dat hindert hem niet! Heeft
hij niet een heerlijk fortuintje gehad? Een royale mijn-
heer duwde hem een paar centen in de hand en daar heeft
hij toen zijn geluk mee beproefd in dat kraampje ginds.
Ge vindt er wel juist geen brillante gasverlichting, doch
het plakgoud op de dagbroers en ruiters van speculaas,
tegen het uitgespannen beddelaken opgehangen, glinstert
verleidelijk genoeg, ook in de onzekere stralen van het