Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
vóór alle dingen in te prenten: „Er is geen Sinterklaas!
Sinterklaas? Die is lang dood!" Lang dood? Ja voor
hen is hij dat zeker, en ach ook voor hun arme kleinen!
Want al krijgen die nu op den zesden December ik weet
niet wat voor dure presenten , er is niet half zooveel aar-
digheid aan het kostbaarste speelgoed en lekkers waarvan
aan het kind gezegd is: „vader en moeder hebben het in
dien winkel gekocht," als aan een handvol pepernoten, die
onverwacht uit de lucht komt vallen. Kiet dat ik er vóór
ben, de lieve jeugd nog langer onnoozel te houden (ge-
steld ook dat het mogelijk was) wanneer zij er eenmaal
uit zich zelve aan begonnen te twijfelen of alles wel echt
bovennatuurlijk in zijn werk gaat. Maar laat haar dan
ook uit eigen beweging tot de ontdekking geraken dat de
weldadige macht, die zij eerst daar omhoog op den schoor-
steen zocht, nergens anders schuilt dan onmiddellijk bij
haar in het liefderijk ouderhart. Dat is een prettige manier
van wijsworden en waarbij niemand iets verliest. Hoe
grappig, als het kind nog weifelt wien het vurigst te be-
danken, Sinterklaas of vader en moeder, en als het dan
in aUe stilte de stoute schoenen aantrekt en op zijn beurt
beproeft om ook eens voor den goeden heilige te spelen.
Wat kijken de oudjes dan mal op den neus, of liever wat
een echte, blijde verrassing is dat voor hen, wanneer zij
mogen opmerken hoe hun eigen vriendelijke liefde weer-
klank heeft gevonden in het gemoed van hun kroost en
daar niet minder aardige uitingen van het edelst gevoel
aan ontlokt! Och, zeg niet, dat al dat aardige er niet bij
hoeft; dat het al wel is wanneer het kind maar diep door-
drongen is van zijn plicht om vader en moeder als zijn
grootste weldoeners te eeren en te gehoorzamen. Zeker, ik
gaf wat als alle kinderen dien heiligsten van alle plichten
diep beseften en nimmer vergaten. Doch het lijkt mij toe
dat eeren en gehoorzamen (en in 't algemeen alle deugden
die men samenvatten kan in dit ééne woord liefde) eerst
dan haar volle beslag krijgen, als er nog iets bijkomt, iets
ik weet niet wat. Is het iets poëtisch ? We zullen maar
weer zeggen : zoo iets aardigs.
Ik houd niet van opvoeders die geen aardige manier
hebben van opvoeden. Ik houd niet van weldadigen , dien
het weldoen niet aardig afgaat. Ik houd niet van vromen
wier vroomheid misschien onberispelijk is, maar in het geheel
niet lief, niet beminnelijk. . . Nu maar gij houdt zeker niet
van vertellingen, die dreigen te ontaarden in een verbande-