Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
lenden lach het verhaal besluit, dan is men gelukkig en
ziet men zonnig en hoopvol de toekomst te gemoet; want
de lente bloeit het geheele jaar in ons huis. het nieuwe
leven ontwikkelfzich in 't gezin. Een verschrikkelijke wereld
zou een wereld zonder jonge kinderen zijn ; onverdragelijk
ruw en bitter ware 't leven , zoo de menschen eens volwassen
in de wereld kwamen, en jeugd slechts een begrip ware.
Hoe buitengewoon groot zou het genie worden geacht van
den bezielden dichter die , in zulk een wereld, het eerste
kind met zijne verbeelding schiep! ^^^^
F. HAYERSCHMIÜT.
Sinterklaas.
't Was Sinterklaasavond en een mistige avond, zooals
de goede heilige liefst heeft. Want nu kon hij zijn be-
roemden rit over de schoorsteenen doen zonder dat iemand
er iets van zag, behalve natuurlijk de kinderen. Die heb-
ben oogjes, daar kunnen ze mee ontdekken wat geen pro-
fessor met behulp van den sterksten telescoop vermag waar
te nemen. Ik heb ten minste zoo'n jongetje gekend, dat
zag alles duidelijk, en het hoefde er niet eens voor uit de
kamer te gaan naar buiten op de donkere straat. Als het
bij de kachel zat op zijn vaders knie , hoorde het ook het
trappelen van Sinterklaas zijn paard over de pannen van
het dak en het brieschen van den prachtigen schimmel.
En dat dit geen verbeelding was bleek aanstonds daarop.
Want in hetzelfde oogenblik dat het ventje zijn kleinen
wijsvinger aandachtig omhooghief, daar hagelde het eens-
klaps tegen het behang en in een ommezien lag het tapijt
bezaaid met pepernoten en met suikerboonen. Van wien
kon dat anders komen dan van den grooten kindervriend,
die net toen hij boven den schoorsteen was een paar ferme
grepen had gedaan in zijn onuitputtelijken zak P Maar
men moest er zoo'n aardig jongetje voor zijn of een even
lief meisje om dat te weten. En dan moest men ook geen
vader en moeder hebben, o zoo verstandig, o zoo volko-
men nüchteren , die het hun plicht achten den kinderen