Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
74.
drijft uit ons hart, trots winterkou en wind, de kilheid
weg en maakt ons hoopvol en vertrouwend.
In het Vondelspark zijn groote hagen egelantier, en de
Amsterdammer, die in 't voorjaar nalaat, om, als de heg
nog zonder bladeren is , zich reeds te gaan verkwikken aan
zijn zonnigen gloed, aan het rozenroode waas, dat over de
ontbottende takken ligt, en aan hun zoeten geur, verzaakt
een groot genot, dat hem het voorjaar zou doen waardeeren
en begrijpen.
O, hoop en belofte van 't voorjaar, wanneer de adem
der lente over de doorweekte beemden strijkt, licht en
leven wekkende op het koude, schrale, eentonige land, gij
die de boorden der bekrooste slooten onzer weiden in
fichoone wildernissen van halmen en bladeren en bloemen
herschept, hoop en belofte van 't voorjaar, tot welk hart
weet gij niet te spreken !
Gewaardeerd en machtig zijt ge , doordien ge door koude
en duisternis zijt voorafgegaan, en omdat men naar uw
frischheid en zangerigheid, uw kracht en schoonheid ge-
hongerd en gedorst heeft, reeds in den mist van November
en in de donkere dagen voor Kerstmis.
En toch heeft men ook in de donkere dagen , te midden
van smart en beproeving, wanneer ons leven vreugdeloos
en somber schijnt, steeds een andere lente in zijn bereik,
en kunnen vogelengetjilp en ongekunstelde liederen, jonge
kracht en schoonheid ons sterken en opbeuren.
O kinderen, hoop en belofte der menschheid, zonnige
oogjes en vriendelijke gezichtjes, gij zijt de poëzie der
wereld, de voorjaarsbloemen van het leven. Gij maakt
het huis, dat ge zegent, het geheele jaar door tot een
zonnigen tuin. Ge maakt de liefde dieper; ge geeft tot
werken moed; ge bezielt met hoop, geloof en vast ver-
trouwen. De omgang met kinderen is het eenige geluk ,
dat nooit verveelt en altijd frisch blijft. Ze dwingen ons
jong en vroolijk te blijven; dank zij hun, maken de jaren
ons niet veel ouder, doch hen slechts grooter en sterker.
De „Lebensglückseligkeit" van kinderen is onwederstaan-
baar als de adem der lente. Men moet hopen en gelooyen
en het oog omhoog slaan. Kinderhandjes strijken de rim-
pels glad van 't fronsend voorhoofd, en als het kleine
dochtertje heur armen om uw hals slaat en, heur zachte
blozende perzikwangen — „moitié chair, moitié fruit" —
tegen uw gezicht aanleggende, begint te babbelen en te
vertellen en ten slotte met een frisschen, lichten, jube-