Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
(
retraite maakten, om van daar alles op te nemen. Het
groote boek werd op tafel open gelegd en nu begon het
gesprek.
„UE. woont hier nog altijd in het zelfde huis, Mevrouw
„Om u te dienen, Dominé."
„En de naam van Mijnheer is. ... P
„Om u te dienen, Dominé."
„En uw oudste dochtertje Johanna, is die nog in huis
„Verzoek excuus, Dominé; zij is binnen kort van haar
derde kind bevallen."
„Ah zoo ! dat wist ik niet."
Zoo ging het voort. Ook mijn neeQe werd genoemd : ik
beefde reeds, maar bleef vrij .... De heer met den ronden
hoed snuifde.
]N'u werden de meiden binnen geroepen , en zetten zich
vrij links op een paar stoelen , die zij anders nooit aan-
raakten , dan om ze te wrijven of op hunne plaats te zet-
ten. Daarop volgde de aanspraak, waarvan ik niets be-
greep, — neefje en de meiden even min. Hierna begon
Dominé M— de meiden te vragen, of zij wel ter kerk
gingen, en wat zij dan dachten en gevoelden, en of zij
wel baden , enz. Daar hierop geen antwoord kwam , vreesde
ik, dat toch eindelijk de beurt eens aan mij mögt komen,
sloop stil langs den muur, naderde gelukkig de deur, en
— ontsnapte.
Een oogenblik later werden de heeren uitgelaten; de
drukte van neef was afgeloopen; ik kwam weder binnen,
en alles was in zijne gewone voegen terug gekeerd. Het
eenige, dat ik tot verklaring van de zaak te weten kreeg»
was, dat dit nu huisbezoek heette.
Ook de volgende jaren maakten het mij weinig duide-
lijker. Een algemeen denkbeeld zweefde er mij van voor
den geest, als van eene kerkelijke volkstelling, vereenigd
met zoo iets, dat naar eene biecht zweemde : — ik weet
het niet!
Eindelijk bemerkte ik, dat de aanspraak eene uitnoodi-
ging was tot het avondmaal; maar ik begreep volstrekt
niet, waartoe die uitnoodiging diende , daar mijne goede
ouders, zoowel ongenood als genood, daarvan gebruik
maakten.
Op de akademie werd ik niet o^ die wijze bezocht. Van
het huis, of mijne kamer in mijne afwezigheid, kan ik
niets zeggen: ik was ook een groot deel van het jaar en
van den dag afwezig. Verder herinner ik mij niet, dat