Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
IP
73
zijn , ontwaakt nieuw leven. De hoop en belofte der mensch-
lieid stemmen het hart op even onweerstaanbare wijze,
als de hoop en belofte der ontwakende natuur in 't vroege
voorjaar 't harte roeren.
Het huwelijk is, gelijk Sainte Beuve zich uitdrukt, „une-
méthode d'espérer, une belle invention, pour nous inté-
resser au futur comme au présent. On a des enfants, on
désire qu'ils soient bien un jour, et dès lors on incline
insensiblement sa çensée à espérer que le monde n'ira pas
de mal en pis, qu'il tournera à mieux."
Ouders, omringd door hun gezin, denken aan de toe-
komst , troosten zich over smarten en teleurstellingen van
den tegenwoordigen tijd, door zich te wijden aan hun
kinderen, door hen op te leiden en op te voeden, zoo
goed als zij eenigszins vermogen, en door zich in te span-
nen , opdat de toekomst vruchten geve, die het heden
nog niet kent.
Omringd door kinderen , levende in dien „tourbillon de
lumière et de joiewaarvan Victor Hugo zingt, moet men
wel vol hoop en optimisme ziin, yertrouwt men op God of
men wil of niet ; — men heeft een horizon, men is niet de
laatste van zijn geslacht.
Is men mat en ontmoedigd, ontstemd en treurig, dan
geven kleine kinderen ons bijna alles wat we noodig heb-
ben. Ons verlangen naar schoonheid, bevalligheid, vreugde
en onschuld wordt gestild; en aan de ruwheid en de grof-
heid , die ons kwelden, kan men niet lang meer denken,
omdat de onstuimige haast der kinderen om te beminnen
en bemind te worden , al wat geen liefde is uit de harten
bant. Het is of men op een ruwen Maartschen dag een
wandeling maakt buiten de stad. De koude wind giert om
de hoeken van de straten, als ge de stad verlaat, en
spreekt van winter en grauwe en sombere dagen, van
droeve ontgoocheling en ontbering. Hij schudt de naakte
takken van de iepen en populieren, die, glimmend zwart
door mist en regen, geraamten slechts van boomen schij-
nen. Doch men is nauwelijks in de laan tusschen de
weiden, waar hier en daar reeds schuchtere madeliefjes
't goudgeel hart verhefien, of men vergeet den kouden
wind en al zijn sombere herinneringen. Men voelt in 't
hart dat weer de lente ontwaakt is, en het jonge leven,
dat de bosschen thans doorstroomt, geeft ons ook nieuwe
veerkracht en geluk. De wondere kracht, die diep in het
verkleumde hart van de oude eiken thans aan het werk is,