Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
door eigen scliuld, op zulk een terrein gebragt bad, toch
niet op een ander onderwerp bad kunnen brengen , wilde
zij dit zelve doen.
Gretchen gaf baar vader een stootje met baar arm, waarop
deze wakker schrikte, versuft opkeek en zei, dat hij gedroomd
had, dat hij den koning van Pruissen eene leening deed
van vijf millioen thaler, en dat de prins van Pruissen zijne
dochter ten huwelijk vroeg.
Beide jongelui stonden op en namen nu afscheid. "Wil-
lem verzekerde mijnheer von Böhm, dat hij de kennis-
making met hem en zijne dochter op hoogen prijs stelde,
en hij beval zich in hunne vriendschap aan. Dirk kreeg
van vader en dochter eene hand , Willem eene sierlijke
buiging.
De jongelieden wandelden zamen langs 't strand naar 't
dorp. Willem had zijne vrienden geheel vergeten, en gaf
Dirk vertrouwelijk den arm.
„Wat een lief kind , dat Gretchen ! Hemel, wat een leven-
dig, aantrekkend schepsel! Wie haar Paust mögt worden 1"
riep Willem opgewonden uit.
„Met eenige wijziging van de derde en vierde akte , met
■uw welnemen," antwoordde Dirk, die nu volstrekt niet
bloode of links was."
„Natuurlijk, zoo als Schiller zegt": „Ehret die Frauen,
sie flechten und weben ■—"
„Uns wollene Strümpfe für's frostige Lebenwijzigde
Dirk lagchende.
„Prozaïsche kerel! Jij vindt ze ook aanbiddelijk. Ontken
het maar niet. Doch eene andere vraag: hoe hebt ge toch
kennis met haar gemaakt, gelukskind?"
„Heel eenvoudig. Omtrent veertien of vijftien dagen ge-
leden vond ik op 't strand eene portefeuille met een paar
bankbiljetten, waarbij eenige kaartjes met den naam van
„von Böhm" er op. Ik heb toen in het dorp en het
badhuis informatiën genomen, en ik wist spoedig dat de
familie hier logeerde. Dit is de aanleiding onzer ken-
nismaking. Na dien tijd dringt de oude man steeds aan,
dat ik hem dikwerf zal bezoeken, en noodigt mij herhaal-
delijk ten eten. De oude is een praatvaar en een blufiertje ,
doch overigens ■— voor zooverre ik hem beoordeelen kan —
een goedhartige vent. Zijne dochter, Gretchen, is zijn
afgod; zij is alleenheerscheresse en haar woord is een orakel:
een bedorven kind in een woord. Doch ze is zulk een
schoon, ontwikkeld wezen, dat —"