Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
rijk kanaal laten graven , en daar Hollandsche ingenieurs
in het buitenland als specialiteiten voor waterbouw be-
schouwd worden , had die regering het jSTederlandsch be-
stuur uitgenoodigd, haar een kundig ingenieur te zenden
die, in overleg met Pruissische ingenieurs , gemeenschap-
pelijk het kanaal zou aanleggen. Het JSederlandsch gou-
vernement had aan dit verzoek onmiddellijk gevolg ge-
geven , en daartoe ingenieur Barends, een kundig man
met veel ondervinding, aangewezen. Bovendien had men
een concours uitgeschreven voor aspirant-ingenieurs, waarbij
de ontwerper van het doelmatigst gekeurd plan den in-
genieur Barends ter assistentie zou toegevoegd worden,
en daarbij van rijkswege eene ruime geldelijke belooning
erlangen zou.
Dirk van Mossen — een jongen met een degelijk verstand
en een scherp oordeel, die uitstekend gestudeerd had en.
groote kundigheden bezat, welke hij helaas! niet wist uit
te venten, — had zich onmiddellijk onder de mede-
dingers gerangschikt, en daar von Böhm op vier uur afstands
van Callenburg woonde , de plaats waar het kanaal gegra-
ven zou worden, was dit tusschen beiden reeds dikwerf
*t onderwerp van het gesprek geweest. Ook nu deelde
Dirk, hiertoe door von Böhm uitgelokt, eenige bijzonder-
heden omtrent dat kanaal mede, en gaf hier en daar zijne
eigen inzigten en opvattingen aan, waarnaar Willem gretig
en met gespannen aandacht luisterde.
„Ja, wanneer mijnheer van Mossen den prijs behaalt,
zullen wij hem spoedig in Duitschland zien, daar twijfel
ik niet aan."
„En zal hij genoeg benijders in Holland achterlaten!"
voegde Willem er bij.
„Omdat hij de bevoorregte is ?" vroeg von Böhm, afkeu-
rend *t hoofd schuddende.
„Omdat hij de gast van mijnheer von Böhm zal zijn
voleindigde Willem hoffelijk. Hij wilde nog meer zeggen,
doch werd door von Böhm in de rede gevallen, die her-
haaldelijk: „danke, danke," uitriep.
„U moet eigenlijk de helft met mejufvrouw uwe dochter
deelen , want ik bedoelde: 't geluk om de gast te zijn van
u en van mejufvrouw Gretchen von Böhm," hernam Willem.
Dirk lachte , doch niet van harte. Gretchen boog zoo
gracieus als een badgast buigen kan, en de oude heer proefde
den wijn eens even, en zei, dat hij ze liever van zijn eigen
grond dronk.