Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
„Een bas-bleu of een meisje van lectuur met een stalen
geheugen," dacht Willem, doch veel tijd bleef hem hiertoe
niet over, daar de oude heer, zijn gouden bril wederom
vermanende, met een zegevierend lachje zeide :
„Daar staat u verbaasd van , nun ja, het liebe kind heeft
een schitterende educatie gehad , ach guter Himmel u moest
ze piano hooren spelen, dat —"
„Papa, papa! . . ."
„Nun, nun, — laat mijnheer von Mossen maar spre-
ken : hoe vond u die variatiën uit de Freischütz, wat
blief je P" ging von Böhm voort, terwijl hij zich achter-
over in zijn stoel wierp, de duimen in de armsgaten van
zijn vest stak, met de vingers tegen dat fluweelen klee-
dingstuk trommelde , en half tartend, half glimlachend,
met het hoofd knikte.
Dirk van Mossen geraakte nu in het ellendige geval, om
de al of niet verdiende loftuiting te moeten bevestigen, die
een ander een tegenwoordig persoon toezwaait.
Hij deed dit bijzonder links en scheen niet in staat om
de lompe vraag, door eene fijne wending, met een gevat
antwoord niet alleen te neutraliseren, maar zelfs in een
kiesch compliment te herscheppen.
Wat Dirk niet kon, deed echter de aangerukte flesch
Hochheimer: deze gaf 't gesprek eene andere wending.
„Wie viel ?"
„Twee gulden vijftig, mijnheer!"
„Hier!" bromde von Böhm en stak den geparfumeerden
kellner een bankje van vijf en twintig gulden toe.
Schijnbaar zonder ommezien en met voorbeeldige achte-
loosheid liet hij den kellner 't geld op de uitgestrekte reg-
terhand tellen, doch onmogelijk was 't hem, vóór hij *t
met bewonderenswaardige onverschilligheid in den zak
stak, om er niet even, heel even, een oogje ter controle
op te werpen.
„En zal u óók mededingen naar de betrekking van aspi-
rant-ingenieur bij den aanleg van het kanaal van Callenburg
in Pruissen, mijnheer Kappelom ?" vroeg von Böhm.
Willem had er niet het minst werk van gemaakt, zeide
hij, doch de eigenlijke zaak was , dat zijne studiën inder-
daad zoo beperkt waren geweest, en zijn begrip zoo be-
krompen was, dat hij geen kans had gezien om een plan
te maken, dat bij eene mededinging in aanmerking kon
komen.
Het Pruissisch gouvernement namelijk zou een belang-