Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
dine liet iiare oogen met nog sterker glans schitteren.
De Duitscher was een dik ineengedrongen ventje met
een paarsch-rood dik gelaat en breeden wipneus , die uiter-
mate geschikt bleek om een gouden bril te steunen. Een
wit stroohoedje met smallen platten rand bedekte zijne
grijsgele haren en vuurrood hoofd en geleek in de verte
veel op een botervlootje boven een bloempot, ontelbare
ringen met allerlei kleuren van steenen prijkten aan zijne
vingers, terwijl zijn horologie aan een niet minder kost-
baren ketting lag. Zijne dochter Gretchen was smaakvol
gekleed en vergoedde door haren eleganten eenvoud wat de
oude heer met zijne ondoordachte praalzucht bedierf.
„Bevalt het u hier, mijnheer von Böhm ?" begon Willem
het gesprek, „en kan mejufvrouw zich met ons waterlandje
verzoenen .P"
„Ja, so," antwoordde von Böhm, zijn gouden bril recht
zettende , „tamelyk, er is hier gar kein amusement. Ik
kan mijn geld niet kwijt raken. Ik had gehoopt hier in
Holland eens veel geld uit te geven, maar ik weet er
geen weg mit. Gar kein amusement! Te Baden-Baden,
te Ems, te Homburg, lieber Gott, daar vliegt de tijd om,
aber in Holland drinken de menschen thee, immer thee.
Eyeliner een fiesch Hochheimer !" riep hij nu een voorbij-
gaanden knecht toe.
In dien tusschentijd had Gretchen Willem eens opge-
nomen, en, zijn rijzige figuur, zijne bruine lokken en
onberispelijk toilet, zijne losse, gemakkelijke , sierlijke
vormen bij het plompe , meer bedeesde en misschien eenig-
zins schuwachtige van Dirk van Mossen vergelijkende, viel
dat onderzoek geheel ten voordeele van Willem uit, die
nu het bevallige Duitsche meisje ook toesprak.
„Het nieuwe lokt aan en treft dikwijlsantwoordde
zij met een lief lachje , dat lang genoeg werd aangehou-
den om een mondje met kleine, zuiver gevormde witte
tandjes te doen bewonderen , terwijl haar kokette blik het
ware van dat gezegde ook bevestigde, „'tls waar," ging
zij voort, „de menschen schijnen hier in 't algemeen be-
daarder, koeler van aard; bij ons is men meer opge-
wonden , meer schwärmerisch; doch dat ligt zeker aan
de omgeving: bij ons aan den Eijn hebben we een prach-
tige natuur, schilderachtige bergen en valleijen ; hier is
alles plat, regelmatig en misschien wel wat stijf — dat
erft men misschien over, en daaraan schrijf ik 't ver-
schil toe."