Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
tige blondine met donker bruine oogen; ginds, twee ta-
feltjes van den linkeringang, in gezelschap mot dien roo-
den kalkoen en een heer wiens verwenschte rug mij belet
om 't schoone kind geheel te bewonderen riep een der
heeren uit.
Willem stond half op, vatte zijn dubbel lorgnon, en
tuurde in de aangewezen rigting.
„Om te stelen! Eene echte Duitsche type. 't Is of
de oogen te voren heeft aangestoken, zoo onnatuurlijk
glinsteren ze voor een paar kijkers , die op 't oogenblik niets
te doen schijnen te hebben dan uit tijdverdrijf in de rondte
te zien."
„Nu, een vrouwenoog dat op het terras van een badhuis
niets te doen heeft! En dan daarbij zulk een oog! AYil-
lem, je kent de vrouwen nog niet!" merkte een derde
aan, die altijd zoo graag voor een jongen ouden man
doorging. „Zeker zoo'n Duitsche baron , die vrij wat ge-
makkelijker zijne „Thaler" dan zijne „Ahnen" kan tellen,
en nu de baden —"
„Mijn hemel! Hoe komt die er bij!" viel Willem,
die de groep nog steeds aandachtig was blijven beschou-
ing Anton in de rede, „verbeeld je eens,
dat die verwenschte rug is: — Dirk van
Mossen!"
„'t Lijkt Mignon en haar vader wel," zei Anton spottend.
„Maar dan toch in een prachtband, want ze ziet er waar-
lijk niet uit om hartroerend „Wer nie sein Brod mit
Thränen asz" voor te dragen," hernam nu een vierde.
Doch Willem had geen ooren meer voor al die luimige
opmerkingen en spotternij, en zich onmerkbaar van het
tafeltje verwijderende, werkte hij zich met veel veront-
schuldigingen tusschen stoelen en allerlei hindernissen door,
tot dat hij eindelijk met een omweg het tafeltje zoodanig
genaderd was, dat onze vriend het eerst Dirk van Mos-
sen in 't oog kreeg en, schijnbaar heel verbaasd hem hier
te ontmoeten, dezen naderde, eene bijzonder sierlijke
buiging voor Mignon en haar vader maakte, en Dirk de
hand drukte.
„Mijnheer Willem Kappelom, ingenieur, een mijner goede
kennissen — Herr von Böhm, Gutsbezitzer, und Tochter,
von San Goar," stelde Dirk de partijen wederkeerig voor.
Willem maakte zijne bevalligste buiging, en boog zoo
diep, dat de lorgnon hem als een monstertraan uit het
oog viel. De Duitscher knikte aanmoedigend en de blon-
VI. 5
wen, plotse
wie denk je