Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
64,
geworden, als op den 17 Augustus 1858, Aan de landzijde
wemelde het van blinkende equipages, van opgeknapte
maandrijtuigen, die niet minder parvenu w^ren dan mijn-
heer en mevrouw die in de kussens van het rijtuig lagen ;
van overvolle, topzware omnibussen, die waggelden alsof
ze niet regt wisten van welken kant zij zich omver zouden
laten vallen; van sierlijke cavaliers en eindelijk van eene
onafzienbare menigte wandelaars. Deze menigte verdrong
zich op de trappen van het badhuis, verspreidde zich in de
gangen, en zocht, dikwerf met behulp van den elleboog,
een uitgang op beide smalle trapjes die naar het terras aan
de zeezijde geleiden. Geen tafeltje was onbezet. De Jans
gaven de bewonderenswaardigste proeven van equilibre-
toeren, door met de groote serviezen, fiesschen en glazen
behendig tusschen smalle openingen te schuiven; en de
bestellende heeren spreidden eene niet minder fraaije pan-
tomimiek ten toon door de bedienden in de verte te wenken
en orders te geven.
"Wanneer men het publiek zoo eens overzag, kwam men
alligt tot het besef dat de aristocratie en diplomatie, die
voortdurend langs het terras op en neer wandelden, zon-
der zich op stoelen neêr te vlijen, veel minder iets te
bestellen , de schitterende representatie gaven, waarvan de
deftige burgers en vreemdelingen uit den omtrek onder
hunne fiesschen wijn , in zekeren zin, de kosten betaalden.
Al vond men hier en daar een ambtenaar met groote fa-
milie , die met hun achten om een karaf water zaten ter
wille van het dieet hunner .... beurs; al had een ander
Hagenaar zich daarentegen de geheele week van vleesch
onthouden, om heden eens naar 't badhuis te rijden en er
goede sier te maken: over 't algemeen zorgde de gegoede
burgerstand het best voor zijn eigen maag en voor de beurs
van den kastelein.
Opmerkelijk was het vooral hoe de eigenlijke „bad-
gasten" een ieder van hunne qualiteit trachtten te over-
tuigen, door in kleeding als anderzins te toonen dat zij
er thuis waren, terwijl de Duitschers zich van zeiven
door hunne ligte petten en onzaggelijke zegelringen ver-
rieden.
Met al deze opmerkingen scheen zich een groep jonge-
lieden bezig te houden , die, niettegenstaande het orchest
verdienstelijk speelde , veel liever een oog hielden op 't bont
en aanlokkend défilé.
„Drommels, Willem, kijk ginds eens. Wat een prach-