Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
C. E. VAN KOETSVELD.
Het huisbezoek.
Het heugt mij nog, dat ik, als een aankomende jongen ,
liij een' neef van mijn' vader, of liever bij zijn jongste
zoontje te visite -was. Die neef was een welvarend koop-
man , ijverig en braaf, maar een weinig luchtig en ganscli
niet kerksch. Wij jongens hadden eene van die pauzen ,
die zoo onwillekeurig en zoo onaangenaam zijn, en zoo-
wel in de kinderspelen als in de gezelschapszaal voorko-
men. Om toch iets te doen , tuurden wij door de glazen.
Eeeds lang hadden wij het oog gehad op tweeheeren, die
gedurig schenen te naderen , en gedurig weer verdwenen.
Zij waren in het zwart gekleed: de een met een korte
broek, de ander met een lange; de een met een' driekanten
hoed en de ander met een' ronden , terwijl de laatste een
boek in folio onder den arm hield. In onze kinderlijke
eenvoudigheid, — of laat ik meer naar waarheid spreken :
in onze jongenswijsheid, verdiepten wij ons in allerlei gis-
singen omtrent de bedoeling dezer twee deftige personen.
Eindelijk meende mijn neefje het gevonden te hebben. Hij
had dien eigen' morgen twee beambten van de personele
belasting zien rond gaan , en vroeg nu op den toon van.
iemand, die een raadsel heeft uitgevonden : „Vader ! komt
die Dominé ook biljetten rond brengen of geld ophalen ?"
Keef antwoordde niet, maar na even in het spiegeltje te
hebben gezien, zeide hij : „Amalia, dat zult gij wel voor
mij waarnemen. Ik ben op mijn kantoor en heb het druk,
hoor!"
Nu was ons de zaak althans niet helderder geworden.
Veel eer was er nog eene onbegrijpelijkheid bij gekomen ,
daar neef juist een oogenblik te voren had geklaagd, dat
hij het volstrekt niet druk had.
Er werd aangescheld. Dominé M— en de Heer A—
werden aangediend. Zij traden binnen en zetten zich ne-
der , terwijl neefie en ik naar een' hoek van het vertrek
VI. 1