Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
naar liefde dorstende gemoederen ongekwetst te laten. En
da Costa's geheele persoonlijkheid onderscheidde zich door
hetgeen hij zelf opgeeft als het kenmerk zijner poësie:
Ik ben geen zoon der laauwe "Westerstranden!
Mijn vaderland is daar de Zon ontwaakt!
En als de gloed der Libyaansche zanden,
Zoo is de dorst naar Dichtkunst, die my blaakt!
Geen zoon der lauwe westerstranden, kon hij het met
zijne betrekking tot menschen niet lauw opnemen. Al het
teedere en hartstogtelijke tevens , al het edelmoedige en
jaloersche tegelijk , dat van ouds de liefde pleegt te ken-
schetsen , bragt hij in de vriendschap over. Maar wie deed
het wederkeerig voor hem ? Laat ons niet onregtvaardig
zijn. Hij heeft warme en trouwe vrienden gehad, wier
geheele ziel aan hem hing en die hem bijna afgodisch lief
hadden. Maar toch! De hollandsche bedaardheid moest
hem soms koelheid schijnen; volstrekte onzijdigheid bij
het beoordeelen ook van een vriend, het voorregt der on-
dichterlijken, moest hem, dichter bij uitnemendheid, den
indruk geven dat hij niet onverdeeld genoeg bemind werd.
Trof hem die schijn of ontving hij dien indruk, dan
kon hij zijn leed niet verkroppen, dan was het hem aan
te zien dat hij leed. Weldra viel het ook te hooren.
De sombere wolk op zijn voorhoofd ontlaadde zich. En
met een openhartigheid, die niets ontzag en niemand
spaarde, stortte hij zijne grieven uit tegen hen die , naar
zijn oordeel, jegens hem in gebreke waren gebleven. Had
in die oogenblikken Jehova hem, als eens Elia, gevraagd :
„is uw toorn billijk ontstoken?" als de profeet had ook hij
vrijmoedig geantwoord: „Ja Heere."
(Isaac da Costa y Een gedenkrede?^
JOHAN GRAJI.
Op het terras te Scheveningen.
Geen Zonda^iddag was het terras van het groot bad-
huis te Scheveningen zoo allerwege door menschen bestormd