Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
_ Aan deze algemeene oorzaak van het wisselvallige van
zijn stemming, paarden zich oorzaken van meer bijzonde-
ren aard, ofschoon toch met de eerstgenoemde in nauw
verband, da Costa — ik ben besloten dezen avond geheel
waar te zija — da Costa was hoogst gevoelig aan vriend-
schap , maar hij was evenzeer bijzonder gestreeld door toe-
, uiching. Het gevolg daarvan was dat hij elke verkoe-
ing bij zijne vrienden met thermometer-nauwkeurigheid
waarnam en dat miskenning van zijne verdiensten hem
diep krenkte
Wil men hierin eene zwakheid zien, ik heb er niets tegen,
mits men het volgende wel in het oog houde.
_ Onze dichter behoorde tot die gelukkigen die genoeg
zielenadel hebben om een warme en trouwe vriendschap te
kunnen gevoelen. Bezat men eens zijn hart. zoo was het
niet mogelijk een beter vriend op zijn weg te ontmoeten.
Kiets in dezen man was lauw. Zijn vriendschap was het
allerminst. Hij gaf zich aan zijn vrienden geheel, zonder
eenige terughouding. Hij deelde met een zeldzame innig-
heid in al hetgeen zijn' vrienden wedervoer. Hij verheugde
zich met de blijden, hij treurde met de treurenden. Geen
huiselijk voorval in het leven zijner vrienden was hem te
nietig in zijn oog om er de belangstelling zijner liefde
aan te wijden. i)och terwijl hij alzoo zelf veel gaf, was
het geen wonder dat hij van anderen ook veel eischte. Zelf
in de hoogste mate wat men noemt hartelijk, werd hij
door geene koele, was hij slechts door hartelijke vriend-
schap bevredigd. Er zijn menschen die weinig geven en
veel vragen. Er zijn menschen die weinig geven maar
ook weinig vragen ; da Costa behoorde tot geen dezer beide
soorten. Hij gaf veel en hij eischte veel. Zalig was het
hem te geven. Maar het was hem voor het minst even
zalig te ontvangen.
Behoef ik te zeggen dat iemand met soortgelijke gezind-
heid overvloedig gelegenheid vindt om diep en grievend
teleurgesteld te worden ? De maatschappelijke zamenleving
is er üu eens niet op ingerigt om fijn bewerktuigde en
Mijn geachte vriend Hasebroek heeft het toch reeds verklapt
in zijn uitstekende levensschets van den dichter, of elders. Het
hinderde da Costa, naar luid van Hasebroeks berigt, dat hij niet
was herkozen in het Kon. Instituut. Het jonge Holland kan het
niet zonder een glimlach lezen.