Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
wezens. Wq kunnen met da Costa's eigen woorden het
karakter van den dichter beschrijven — en van wien kunnen
wij het nader hebben? In een vers getiteld: „De gaaf der
poëzy zegt hij :
„Gevoel, Yerheeldxng, Heldenmoed,
Tot ééne ondeelbre kracht verbonden,
Te zaara gesmolten tot één gloed,,
En door den boezem uitgezonden
Op vleugelen van melody ....
Ziedaar de gaaf der Poëzy." i)
Gevoel, verbeelding en moed tot een ondeelbare kracht
verbonden, is dat poëzie, hoe groot moet dan niet de
prikkelbaarheid zijn van iedere poëtische ziel. Er is niets
zoo irritabel, zoo kwetsbaar als gevoel, verbeelding en moed.
En denkt u dan deze drie snaren , die bij het minste togtjen
trillen , op éen speeltuig vereenigd. Niets is er in de bui-
tenwereld of op het gebied des geestes dat niet éen dezer
snaren en telkens in beweging moet brengen. Bij het zeer
fijn bewerktuigd gemoed van da Costa was dit bij uitne-
mendheid het geval. Zijn gevoel was nooit in een staat van
rust. Altijd werd het pijnlijk of weldadig aangedaan. Zijn
verbeelding zag het verleden en het tegenwoordige in veel
kolossaler evenredigheden dan dit bij gewone menschen
het geval is, en de toekomst met een helderheid die vaak
aan de profetische bezieling van zijn voorgeslacht deed
denken. Voor ondichterlijke geesten is de wereld eenvou-
dig die zij is, een boom is een boom, een huis een huis;
voor dichters nemen de onderscheidene voorwerpen een
levende fysionomie aan die hun iets te zeggen heeft, iets
aangenaams of onaangenaams, maar in elk geval iets. De
moed van den dichter werd, eindelijk, bij da Costa niet
minder geprikkeld. De heerschende denkbeelden van den
tijd waren niet de zijne , de geest der eeuw was niet zijn
geest. Daaruit ontstond een strijd dien da Costa de man
niet was om op te geven, maar waarvan de afwisselende
kansen op zijn stemming den sterksten invloed moesten
uitoefenen.
Ik heb het altijd betreurd dat de dichter aan dit kernachtig
koepiet (slechts door het niet te dulden „ziedaar** ontsierd) nog een
tal van verzen heeft toegevoegd, die niets meer zeggen dan het
eerste. Goethe zou dit anders hebben gedaan. Kortheid was da Costa's
hoofddeugd niet.