Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
den diepen plooi om zijn mond, aan het afgebrokene van
zijne woorden zigtbaar en hoorbaar, dat hij, om mij van
een gemeenzaam woord te bedienen, niet in zijn humeur
was. net gevolg van dit sterk afwisselende in zijne stem-
ming en in de uitdrukking daarvan was, natuurlijk, dat
hij soms de gezelligste man ter wereld, soms het graf van
alle gezelligheid heeten mögt. Was da Costa op zijn dreef,
niemand die opgewekter, geestiger, prettiger koozen mögt
dan hij. In historische anekdotes was hij onuitputtelijk.
Eik oogenblik verraste u een levendige en aardige verge-
lijking, een stoute metafoor, een oorspronkelijke in- en
uitval. Maar was hij niet op zijn dreef, dan nam hij geen
deel aan het gesprek, dan ontwaakte hij soms plotseling
als uit een droom om u een onnoozele vraag te herhalen
die hij soms even te voren tot u gerigt had. Men mag
zeggen, dat alles in de konversatie met zijn goede stem-
ming opleefde en ontluikte, en dat evenzeer alles in de
konversatie met zijn sombere stemming kwijnde en uit-
stierf. Altijd was hij het middenpunt van den kring waarin
hij zich bewoog, en waarin niemand met eenig fijn gevoel
verkeeren kon zonder ingewijd te worden in al de deinin-
gen van 's dichters gemoedsleven. Gij moogt het laken of
niet, da Costa was het omgekeerde van een diplomaat. In
berekening lag zijn kracht niet. Niemand kon me^r on-
bekommerd zijn omtrent den indruk, dien hij te weeg
bragt. Aan het graf van een vriend, aan het graf van
den improvisator de Clercq, heeft da Costa het eens ge-
tuigd : Willem de Clercq was een kind. Hetzelfde mag men
in het aangeduide opzigt van da Costa verzekeren.
Ik geloof niet dat dit onbelangrijke bijzonderheden zijn.
Want zij staan niet op zich zeiven , zij hangen met de juiste
kenschetsing van da Costa's persoonlijkheid ten nauwste
zamen. Wat was de oorzaak van dat sterk afwisselende in
zijn stemming en omgang ? Men moet hier van velerlei
oorzaken spreken. Sommigen waren van algemeenen , ande-
ren van meer bgzonderen aard.
Herinneren wij ons allereerst dat da Costa in merg en
gebeente dichter was. Ik behoef niemand onder mijne
hoorders te zeggen dat een dichter niet iemand is die ver-
zen maakt. Al had da Costa nooit een enkelen versregel
geschreven, hij zou niettemin een volkomen dichter zijn
geweest. Dichterlijke menschen vormen om zoo te spreken
een afzonderlijk ras. Scherp althans is, in mijn oog, de
grens, getrokken tusschen dichterlijke en ondichterlijke