Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
ALLARD PIERSON.
Da Costa.
In zijn uiterlijk had da Costa weinig dat in staat was
de aandacht te trekken of bijzondere belangstelling in te
boezemen. Zijn gelaat verried wel is waar de schrander-
heid en levendigheid, die aan den Israëlitischen type zel-
den ontbreekt, maar, met dit voorbehoud althans, had
het niets buitengewoons. Of het buitengewone moest ge-
legen zijn in de sterk afwisselende uitdrukking van zijn
oog. Zelden heb ik iemand gezien die zulk een vriende-
lijk en zulk een onvriendelijk gezigt kon hebben als da
Costa. Soms kon zijn oog stralen van een glans en een
gloed, die ieder in zijne omgeving weldadig aandeed en
tot opgeruimdheid stemde. Maar soms stond zijn gelaat
zoo strak, lag er zulk een zwarte wolk van somberheid
over zijn voorhoofd verspreid , dat men bijna huiverig was
om hem te naderen. De stemming van zijn gemoed te
verbergen was hem, geloof ik, onmogelijk. Waarheid was
een der hoofdtrekken van zijn karakter. Schrijft de wel-
levendheid , het ontzien van anderen voor, dat wij ons
niet altijd geheel geven , geheel toonen zoo als wij zijn ;
dat wij hetgeen ons hindert, trachten op zijde te stellen
om anderen niet het genoegen van een zamenkomst, van
een avond te vergallen door een uitdrukking op het ge-
laat waardoor wij toonen hoezeer wij ons persoonlijk ont-
stemd gevoelen, die les, die pligt misschien der zamen-
leving was met da Costa's begrippen van Maarheid, van
opregtheid, naar het schijnt, onoestaanbaar. Of juister
nog, da Costa dacht er , naar ik vermoed, geen oogenblik
over na. Hij was geheel zichzelf en ieder moest hem nemen
zooals hij was. Ook bleef men geen oogenblik in het on-
zekere ten aanzien van de stemming, waarin men hem
ontmoette. Er zijn weinig menschen die een vertrek inko-
men zonder een vriendelijk gelaat te toonen, al is er ook
bitterheid in hun ziel. da Costa kon binnentreden met een
gratie j met een courtoisie ^ die terstond den man van opvoe-
ding, den man van goeden huize deed kennen. Maar dan
was het ook licht en vrede in zijn gemoed. Ontbraken
beide, dan was het dadelijk aan zijn afgetrokken oog, aan