Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
heel verstandig hebt gedragen en alles aan mij overgelaten ^
nu ook verder verstandig blijft en eenvoudig zonder een
zuur gezicht te trekken deze rekeningetjes betaalt....
Wezenlijk, ik kan niet velen, dat gij u leelijk maakt om
zulke nesterijen, waarvan de mannen toch geen begrip
hebben. Als gij de rekeningen van anderen zaagt zoudt ge
nog heel anders schrikken."
„Maar lieve meid, hebt gij dan die rekeningen van ande-
ren gezien en weet je zeker, dat de slager en de kok en
de pasteibakker en de hemel weet wie al meer, die ge daar
in uw handje hebt, ons niet bestolen hebben?"
Ik voelde dat ik al bezig was mij aan stroohalmen vast
te grijpen, want de wateren schenen hoog gezwollen te zijn.
Zij evenwel voelde zich geraakt. „Ik heb natuurlijk
alles vooraf met hen afgesproken en nog heel wat afge-
dongen," zei ze.
„Natuurlijk. En hebt gij ook de hoofdsom opgemaakt .P"
Zij begon hoe langer hoe meer te pruilen. „Ik vind dat
natuurlijk heel onaardig. Wat de hoofdsom betreft,
hier is ze." ....
Zal ik voortgaan mijne hoorders I met de mededeeling
van hetgeen er verder gebeurde ? . . . . Liever laat ik de
gordijn vallen. Ieder getrouwd man weet, dat rekeningen
en hoofdsommen hem nog nooit zijn meegevallen en ieder
kent ook den strijd tusschen onzen wrevel tegen de nood-
zakelijkheid van te betalen en den onwil om zijn eigen
goede vrouw iets te verwijten. De mijne toonde zich in
dit geval zoo standvastig in haar overtuiging, dat zij alles
op een koopje gedaan had, dat ik wel eindigen moest met
betalen en haar nog een complimentje over hare zuinig-
heid maakte.
„We hebben niet eens een knecht met zwarten rok en
witte das gehad," herhaalde ze nu en dan. „Alles was
goed, heel goed en heel royaal zelfs durf ik zeggen,
maar burgerlijk eenvoudig. Is dat waar of niet?"
't Was twee of drie dagen later. Mijne vrouw had een
bezoek aan haar intiemste vriendin gebracht. Ze moest
toch eens wat over haar diner hooren. Het wachten tot
de digestie-visites, ging , geloof ik, boven haar kracht.
Toen ze weer thuis kwam, zag ik dadelijk wat er aan
mankeerde. „Is er iets niet goed bij Louise ?" vroeg ik.
„Ge ziet er wezenlijk ontstemd uit. Ze zijn toch wel?"