Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
H. DE VEER.
Na ons diner.
Een paar dagen later zat ik rustig op mijn kamer te
werken, toen mijne vrouw met het vriendelijkste gezichtje
en (ik durf wel zeggen met geveinsde) schroomvalligheid
binnenkwam. Zij had eenige langwerpige papiertjes in de
hand, die ik zou herkend hebben, al had zij ze niet op de
manier van een schild voor zich uit gehouden. „Als gij een
oogenblikje tijd hebt," zei ze op den toon van iemand,
die een condoleantie zal beginnen.
Ja, ik had een oogenblikje tijd. Voor haar had ik altijd
tijd, dat wist ze wel.
„Ik begreep, dat gij de rekeningetjes van ons groote
diner zeker liefst zoo gauw mogelijk zoudt willen afdoen,"
zei ze met de uitdrukking van eene religieuse in hare
oogen. „Alles is dan voorbij. We zullen toch in de eerst-
volgende jaren wel niet weer aan zulke groote feesten kun-
nen denken."
„Is 't veelvroeg ik, want, zooals al mijne vrienden
weten, heb ik de vaste gewoonte den schrik te bezweren.
„Mij dunkt 't zal nog al heel wat wezen. Alleen de ban-
ketbakker" ____
„En vooral de slager en de kok" .... zei ze haastig.
„De slager.P nu ja, die heeft *t vleesch geleverd — maar
de kok ?, Gij hebt immers alles zelf gedaan met Kaatje en
onze meid en de noodhulp !"....
Zij keek mij medelijdend aan en glimlachte. „Onnoozele
man," zei ze ... . „En wie heeft dan voor de pasteitjes en
de soep en al 't geglaceerde en getruffeerde moeten zorgen?
Dacht je dan wezenlijk dat onze oude Ka dat ook allemaal
konP"....
„Maar wat kan onze Ka dan P" vroeg ik reeds min of
meer wanhopig. „Onze Ka zou immers voor alles zor-
gen en alles zou hier in huis worden klaar gemaakt en
we zouden ons groote diner voor een prikje hebben —
even goed, ja, nog veel beter dan anderen en toch voor
een prikje."
Zij lachte mij in mijn gezicht uit en herhaalde nog eens
haar : „o n n o o z e 1 m a n n e t j e."
„'t Beste zal wezen," vervolgde zij, „dat gij, die u zoo