Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het
watey; het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en
vertoonde weldra niet meer dan het ondervlak, terwijl de
lotus verdween.
— Helaas! — riep Iravati uit en liet het hoofd op de
borst zinken, — mijne voorgevoelens zouden mij dan niet
bedriegen ?
— Foei! zeg ik nu van mijn kant, — sprak Siddha, —
eene edele wel opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaas-
heden , die hoogstens te vergeven zijn aan onnoozele boe-
renmeisjes! En zoo stelt gij dan meer vertrouwen in een
boomblad, dat van zelf wel moet omvallen als ge *t maar
lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van een
Indisch edelman , die u zijne trouw heeft gezworen als gij
de uwe aan hem ?
— Ach, Siddha! — zuchtte Iravati, — heb medelijden
met mij als ik mij soms wat kinderachtig aanstel! En
is mijne onrust u geen blijk hoe ik u liefheb ? Mag ik
niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen op uw woord
en uwe liefde is , met zekere onrust denken aan die stad
waar gij heengaat en waar u wie weet het welke ver-
zoekingen wachten? Toch had ik daareven groot onge-
lijk, dat erken ik; en , ■— vervolgde zij, haar hoofd aan
Siddha s schouder leunend , — ik weet immers ook , dat
Siddha de mijne is , nu en voor altoos, en dat er geen andere
vreuw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontro.tven!
Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwij-
gend aan; maar die blik zeide meer dan de krachtigste
betuigingen , en nameloos gelukkig vleide zich Iravati aan
zijne borst.
Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden
opzien , en uit Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide
Iravati :
— Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt
Nipoenika, mijne dienares, ons waarschuwen.
(Jkèar.)