Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
een vurigen kus op de frissclie rozeroode lippen gedrukt.
— Zie, sprak zij, — de onstuimige omkelzing zachtkens
afwerend, — nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn !
We hebben juist gedaan zooals de prinsen en prinsessen,
waarvan onze nationale vertellingen spreken; die maakten
ook eikaars portret.
— Kiet volmaakt juist, lieve! — verbeterde Siddha, —
ze maakten hun eigen portret, en ruilden dan met elkaar ,
of als ze elkander afbeeldden , dan ruilden ze toch. Maar ik
vind onze manier toch beter; de hunne scheen mij altijd
in 'teene geval een blijk van verregaande ijdelheid, en in
't andere heel doelloos.
■— Foei! ■— zei Jravati bestraffend, — maakt gij aan-
merkingen op de schriften der Ouden ? Wie weet of gij straks
niet onze heilige boeken niet zelf zoudt gaan kritiseren!
— Nu ja, en waarom niet? — vroeg Siddha , ■— als ze nu
eenmaal hier of daar mis hebben of smakeloos zijn, of. .. .
— Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?
— Twijfelaar? Aan wat?
— Aan het gezag der heilige Yeden, bij voorbeeld, of
aan ....
— ICom, beste! — viel Siddha de schoone spreekster
lagchend in de rede, — kom ! laten we nu in deze weinige
oogenblikken, die ons nog gegund zijn, niet doen als zoo-
velen onzer landgenooten , die elkaar haast nooit kunnen
ontmoeten of ze doen elkander allerlei theologische en
philosophische vragen.
— Gij hebt gelijk, — hernam Iravati, — en zie, ik
weet ook een spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook
wel kent Let op!
En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver,
plukte zij een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot
langwerpig boomblad dat daar op den grond lag, en, na
het vlug tot een soort van schuitje omgebogen te hebben,
den lotus daarin stekend, liet zij het blad drijven op het
zacht door de beweging der fontein bewogen watervlak.
— Die bloem is mijn Siddha , — sprak ze half in zich-
zelve, — laat ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!
— Neen, — sprak Siddha op zijn beurt verwijtend —
dat is een gek spel! Dat moet gy niet spelen!
Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze
belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar
vrolijk op de kabbelende golfjes danste.
— Trouw! trouw! — juichte zij ... .