Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
„Keert dan wie gaat, niet terug ? Hoe dus, mijn liefste! zoo
treurig ?
„Blijft niet mijn hart als mijn woord, scheiden we ook straks,
u verpand
— Ja, — zei Iravati lagchend, — als dichters ons troos-
ten konden ! Maar vertel mij , Siddha! hebt gij nog nooit
een vers op mij gemaakt ?
— 'k Wilde dat ik het kon , — was het nederig ant-
woord , — en inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar
wat ik ook zocht, ik vond nooit iets uwer waardig. Daar-
entegen is er een andere kunst, waarin ik misschien iets
beter ben bedreven dan in poëzie , en wat ik daarin be-
proefde wil ik niet voor u terughouden — En een klein
met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te
voorschijn halende , toonde hij zijne verloofde een minia-
tuurportret , waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest
herkennen.
— Siddha! — riep zij blijde uit, — maar ik ben immers
lang zoo schoon niet!
— Zoo schoon niet! — herhaalde hij, — neen, maar
wel honderdmaal schooner dan mijn penseel of dat van een
ander u afbeelden kan !
En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen
smaak, had hij de doorsnee der oogen en de grootte van
den mond een weinig overdreven , terwijl juist de volkomen
evenredigheid van beide met de overige trekken een van
Iravati's wezenlijke schoonheden was.
— Maar hoe nu? — vroeg hij verschrikt, terwijl zijne
gazollin eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen
ontsnapte, die haar trachtten te omvatten, — hoe nu? gij
neemt de vlugt?
•— Wacht mij even! — sprak zij — in een oogwenk ben
ik bij u terug.
Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de hoornen
haar den weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede
marmeren trappen bestijgen en weinige oogenblikken later
terugkeeren met een niet terstond uit de verte herkenbaar
■voorwerp in de hand. Toen, hem weer genaderd, vertoonde
zij hem, terwijl een blos hare wangen overdekte en hem-
zelven een uitroep ontsnapte van blijde bewondering, zijn
eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een weinig ge-
ïdealiseerd portret.
— Liefste mijn! — sprak hij in vervoering, en eer ze
zedig zich kon terugtrekken had hij haar middel omvat en