Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
P. A. S. VAN LIMBURG BROUWER.
Iravati en Siddha,
Een eind weegs voortgewandeld, werd Siddha het wit
gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar onder
het digte lommer der mango's aan den oever van een
kleinen lotusvijver, besproeid door een zacht klaterende
en aangename koelte verspreidende fontein. Bloemen la-
gen om haar heen en een nog onafgewerkten krans
hield zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voet-
stappen in de nabijheid hare opmerkzaamheid getrok-
ken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp den
krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde
en ter hoogte van het voorhoofd opgeheven handen te
gemoet. Hartstogtelijk drukte Siddha ze in de zijnen , en
de geliefde terugleidend zette hij naast haar zich neder in
het mos.
— Wat uw vader toch een wreed man is , — sprak hij , —
ons terstond weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een
paar woorden gewisseld hadden!
— "Wel! — zei Iravati, — gij moest hem eer bedanken,
dat hij ons toestaat elkaar zoo alleen te spreken. Dit is hier
lang niet allen vergund, die in ons geval verkeeren.
— Nu goed! — hernam Siddha, — daarvoor wü ik hem
van harte dankbaar zijn, en te hooger waardeer ik dit ge-
lukkig oogenblik, naar ik te langer er op wachten moest.
Doch hoe nu P Gij deelt dunkt mij niet geheel in mijne
blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?
— Ach! — zuchtte Iravati, — hoe ware 't geluk onver-
deeld als men weet dat het zoo kort is van duur ? Welligt
of waarschijnlijk is dit het eenige korte oogenblik dat we
voor langen tijd elkander vrijelijk mogen spreken. En
morgen gaat gij weer verder, naar de weelderige, woelige
stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben alras zult
vergeten.....
— Vergeten! — riep Siddha uit, — heb ik dergelijk ver-
moeden aan u verdiend ? En wat is ook een afwezigheid
van misschien enkele maanden ? Keert dan, — vroeg hij
met de woorden van Amaroe, terwijl hij hare hand vatte,
en haar nader tot zich trok, —