Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
!N"een , de zwanen droegen er geen , maar oolr zij waren
nat: een ongekend verscliijnsel in de vogelenwereld. Melan-
cholisch dreven zij rond en het brood dat men haar toe-
wierp was een „sopje" geworden voor het nog in het water
lag. En van den brief, dien ik van het postkantoor haalde
waren de letters van het adres bijna ineengevloeid en het
papier was nat en kil gelijk de gansche wereld nat en kil
was van Emmerik tot Keulen en van Keulen tot Heidel-
berg en van Heidelberg tot Schaphausen en van Schaff-
hausen tot Zürich en van Zürich tot Lucern.
Dit nu was de vijfde dag en toen zeide ik tot mij
zeiven, dat, daar het over de gansche wereld regende, het
toch wel zoo verstandig was dit in Holland te ondervinden
dan in Zwitserland.
Ka eene poging om den Leeuw te gaan zien, welke
poging door het water verijdeld werd, zette ik mijn para-
pluie op, ging naar het station en nam plaatsin den trein.
Hoe ver die mij brengen zou, wist de stationschef zelf niet;
maar men kon het beproeven.
De trein zette zich in beweging langs overstroomde lan-
den , voorbij dorpen , die midden in een meer schenen te
liggen , en huizen die door golven werden omspoeld , terwijl
naast hem de beekjes, tot stroomen gewassen , donderend
en bruisend voortholden , alles met zich sleepende , wat zij
ontmoetten. De tunnels waren geïnundeerd en door de
spleten viel loodzwaar en plassend het water op de wagens,
terwijl de assen der rijtuigen maar juist boven den water-
spiegel uitkwamen. Eindelijk hield de trein op: de grond
was weggespoeld. Zwoegend onder de massa der zooge-
naamde handbagage, dien de toerist in Zwitserland mede-
neemt als passagiersgoed , legden de reizigers hun weg af
naar een volgenden trein, die hen verder zou brengen en
waarin zij half doorweekt plaats namen.
En ook ik zette mij er in en liet mij brengen van Lucern
waar het regende, over Basel waar het regende, naar Erei-
burg waar het regende en Heidelberg waar het regende en
Keulen waar het regende, tot ik, op den avond van den
zevenden dag mijne parapluie weder neerzette in mijn eigen
parapluiebak.
Ziedaar wat ik te verhalen heb van mijn „Zwitsersch
reisje."
4#