Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
spoor achter en volgden elkanders zog zooals de vaartuigen
op zee.
Ik bleef op mijn kamer, en het dienstmeisje, dat voor
den nacht de laatste hand kwam leggen aan het slaapver-
trek, zeide: „het regent sterk" en daar er geen portier of
kellner was, die haar echo wezen kon, nam ik zelf die
taak op me, en antwoordde : „het regent zeer sterk".
Eén droge plek is er in Zürich : de miniatuur-naboot-
sing van het Palais-Eoyal. Vijfmaal heb ik die overdekte
gaanderijen doorgewandeld en ik maak mij sterk geen enkel
voorwerp te zijn voorbijgegaan zonder het bezichtigd te
hebben. Maar toen ik daarmede mijn morgen had door-
gebracht, was ik verzadigd van Zürich en besloot de reis
voort te zetten naar Lucern.
Wie wist, of het daar misschien niet droog zou zijn ?
Mijn plan was over den Rigi te gaan, maar de overvloed
van water die er in de laatste acht dagen gevallen was ,
had het verkeer geschorst en de spoortrein voerde mij over
Olten naar Lucern. Mijn reisbiljet was voor dien nt niet
geldig, maar het water had zelfs het hart van den stations-
chef week gemaakt en hij liet mij op het ongeldige bil-
jet naar Lucern zwemmen. Althans de trein ging langs
en nu en dan door het water, maar hij bracht mij er toch
ten gezetten tijde , terwijl de trein die na mij kwam vijf
uren langer over de reis deed.
Het schoonste plekje van Zwitserland, Lucern, nam ook
de baden. Als te Keulen, te Heidelberg, te SchaÜ'hausen
en te Zürich regende het hier ook van den vroegen morgen
tot den laten avond en den ganschen nacht. En toen ik
bij het krieken van den dag in mijn hôtel ontwaakte, was
het weder of men al de badkuipen van de hoogere verdie-
pingen uitstortte.
Mijn parapluie was in den trein weder gedroogd en
nogmaals beproefde ik de regenbuien te trotseeren. Ik
bracht het tot de kade langs het Vierwaldstädtermeer,
waar de bronzen tafel den toerist aanwijst welke bergtoppen
hij voor zich ziet. De bronzen tafel heb ik gezien, maar
van de bergtoppen geen enkelen. Alles was in een dichte
regenbui gehuld. Op de middeneeuwsche brug verzamelden
zich alle natte toeristen ; maar niemand van hen sprak ;
zij lieten het woord aan den regen, die kletterend en plas-
send op het houten dak neerviel en millioenen kringen
vormde op de bewogen wateren. Al wat adem had, droeg
een parapluie.