Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Maar *t was toch. op weg, want toen ik bij het uitstappen
den koetsier zijn geld gaf, ontdekte ik geen hand; het
was water dat uit de geoliede jas te voorschijn kwam en ik
wierp mijn vier francs in het water. In alle beteekenissen.
In mijn hôtel teruggekeerd, hield ik een samenspraak
met mezelf en behandelde de vraag : of ik zou terugkeeren
of verder gaan. De op ervaring gegronde bewering, dat
het toch niet eeuwig zou blijven regenen , behield de over-
hand en ik zette me in den trein naar Zürich.
Geloofd zij Zürich onder alle steden des aardbodems !
Het regende niet, toen ik het station verliet en al was het
alleen om dit genot te smaken zonder met opgestoken para-
pluie te loopen , ging ik te voet naar het Hôtel zum Schwert.
\Vel waren de straten nat, maar dat nam ik ze niet kwa-
lijk : de heele wereld was nat van Emmerik af. Ik bestelde
een goed diné en eene fijne flesch ter eere van den drogen
hemel.
Mijn tafel stond gedekt voor een raam, waaruit men
het uitzicht had op het Züricher meer, aan welks uiteinde
de Jungfrau zich verheft. Dat weet ieder en als ik het
niet wist, had ik het kunnen zien op het adreskaartje van
het hôtel, dat naast mijn couvert lag. En daarop stonden
ook de andere met sneeuw bedekte bergtoppen, die men
zien kon bij helder weder.
Maar terwijl ik op mijn kamer een weinig toilet had
gemaakt, was de regen weder gaan vallen en toen ik aan
tafel zat, regende het zooals het geregend had te Schafi*-
hausen en te Heidelberg en te Keulen.
En van dat uur af regende het onafgebroken en zonder
ophouden. Van het Züricher meer was niets te zien en
de van oudsher bekende riante oevers vormden slechts
een flauwe groene streep, sprekend gelijkend op eene onzer
dijken, dezelfde welke, mits men ze beregenen laat.
Op mijne kamer had ik hetzelfde negative uitzicht. Geen
Jungfrau vertoonde zich en hare omgeving evenmin ; zij
was verdwenen in het douchebad. Mijn horizon vormde
de brug, die op eenigen afstand van het hôtel over het
meer geslagen werd en ik zag eindelooze reeksen van pa-
rapluien van den eenen oever naar den anderen trekkende
«n elkander passeeren. Wie er onder verborgen waren
kon niemand ontdekken. Alles droop en was vochtig;
huizen, boomen, menschen, paarden, honden : al wat
stilstond en al wat zich bewoog liet water los; zelfs de
duiven, die met slappe vlerken neerstreken, lieten eea
VI. 4