Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
een der beroemdste van ons werelddeel maken, langs af-
gronden en tegen steile hellingen en eindelijk laat in den
avond toen de tunnels reeds lang al hunne glorie hadden
verloren, want het kon daarin niet donkerder wezen dan
daarbuiten, hield de trein te Schaffhausen stil. In stik-
donkeren nacht zocht ik het hôtel op, dat bijna recht
tegenover het station is gelegen — Hôtel Müller heet het,
geloof ik — en weldra zat ik weder op eene kamer. Zij
was niet precies gelijk aan die van het hôtel Victoria,
maar de kandelaars met de waskaarsen en de ledikanten
zonder gordijnen met dekbedden, stemden volmaakt over-
een met die te Heidelberg en dit is toch het voornaamste
voor den toerist, die 's avonds laat in een hôtel komt.
En weder was ik met het krieken van den dag wakker,
en weder hoorde ik den regen , die tappelings neerviel,
en weder sliep ik in en droomde, dat men van de hoogere
verdiepingen de badkuipen uitstortte.
Te Schaffhausen geweest te zijn zonder den waterval te
zien, is door de toeristenwet streng verboden. Na het
ontbijt bestelde ik een droschki. De koetsier — ik vermoed
tenminste dat er een koetsier in zat, maar gezien heb ik
hem niet — was gehuld in een geoliede jas en zijn tarief
was pap geworden.
De portierraampjes rammelden niet, maar zogen en
slurpten en spoten water. Wat wij voorbij reden, kon ik
niet zien ; het schenen drijvende huizen en boomen te zijn
en de menschen geleken visschen in een aquarium.
Zoo kwam ik te Neuhausen bij het pad, dat naar de
diepte voer en ik daalde het af onder mijn parapluie en
de regen speelde op de gespannen zijde eene melodie, die
mij niet meer uit de geclachte wilde gaan: „hier regent
het, daar regent het, ginds regent het, 't regent alom!"
Onder het geleide van deze melodie bereikte ik den weg
langs den waterval. Eigenlijk was het geen weg meer; eene
slijkmassa, waaruit gras en kruid en boomen omhoogschoten.
De Eheinfall donderde en bruiste, en het kwam mij
voor, dat ik er vlak onder stond, want op mijn parapluie
kletste en plaste het even hard en toen herinnerde ik mij,
dat het van Keulen af zoo gekletst en geplast had over
eene oppervlakte van duizenden vierkante kilometers en
toen zei ik, dat een waterval toch eigenlijk veel te veel
pretensie maakte. En ik keerde terug naar mijn rijtuig,
dat, min of meer tot mijn verwondering, nog niet was
gesmolten.