Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
Ik beproefde die gedachte in een vers uit te drukken,
gedachtig aan de leer: ce qui ne vaut pas la peine
d'etre dit, on Ie chante, maar wie zou een vers
kunnen maken bij zulke stortvloeden van water ?
— Het regent sterk, zeide de portier, toen ik uit mijn
droschki stapte.
— Het regent zeer sterk, zeide de kellner, terwijl hij
een parapluie boven mijn hoofd hield, wat eigenlijk niet
noodig was , want ik was zoo nat dat zij me wel hadden
kunnen uitwringen.
— Eet u aan tafel ?
— Ja, maar met den trein van drieën ga ik verder.
— Drie uur negen, met de Schwarzwalderbaan , sprak de
portier, die het spoorwegtarief onwrikbaar in het hoofd had.
Drie uur negen zat ik in den trein, die de Schwarzwal-
derbaan volgt. Ik zag de wereld zooals miss Lurline, de
beroemde waterkoningin , haar zien moet, door een floers
van water. Wij passeerden Karlsruhe en Oöenburg en
welke stations al verder te passeeren vallen. Overal glom
het en glansde het en glinsterde het; alles was nat, kil
en vochtig en geen vierkante centimeter blauw vertoonde
zich aan den hemel. Op de beroemde Schwarzwalderbaan
kan men wagens bekomen met een balkon van achter en
meer glas dan hout, zoodat men de kunstwerken in al hun
voortreflelijkheid kan gadeslaan; maar men zag er niets
van: alles was gehuld in den regensluier. Te Fribei'g zou
ik uitstijgen om den waterval te gaan zien.
Een waterval! was het geen spotternij om die nu op te
zoeken, terwijl de hemel zelf onafgebroken een waterval
over ons uitstortte ? Juist toen ik uit mijn coupé zou
stappen, weerhield mij een conducteur, die zijn menschen
kent — ja, waaraan kent een conducteur zijn menschen?
Een kellner, zegt men, beoordeelt hen naar hunne bagage,
maar een conducteur moet een bepaald instinct hebben,
uit de ervaring ontstaan, waardoor hij dadelijk weet te
zeggen wat zijn passagiers zijn en welke plannen zij hebben.
Deze conducteur nu bespeurde door zijn zesde, zijn con-
ducteurszintuig , dat ik den waterval wilde gaan zien en
zeide: „Geef u geen moeite, mijnheer, de weg daarheen
staat onder."
— Dan zal ik maar blijven zitten.
— Daar zal u heel wel aan doen, verzekerde hij mij ,
en ik geloof ook, dat ik er heel wel aan deed.
Wij spoorden de tunnels door, die dezen spoorweg tot