Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
onderzoek varen, bij de ondervinding dat allen even nat
waren.
Op het Heidelberger slot wati ik niet de eenige bezoeker.
Een drietal rijtuigen stond op het plein , zooveel mogelijk
beschut door de overhangende muren en boomen. Zij
glinsterden en glansden alsof zij allen pas verlakt waren.
Eenige heeren en dam^ met regenjassen en parapluiecn
liepen druipend voor mij. Op de esplanade zochten wij
allen dadelijk de koepeltjes op met het vergezicht —■ er
was niets te zien dan de regen , die alles in een effen grijs
waas hulde.
In den kelder was het droog. Daar lag het Heidelberger
vat met zijn inhoud van 300,000 liter: maar dat cijfer
maakte geen indruk meer op me: bij zulk een regenbui
was een uur of wat voldoende om het te vullen en als
het leeg liep zou men het voor het slot niet eens bespeu-
ren. Wat zeiden 300,000 liter vocht bij deze stortbui ?
Een van de rijtuigen had nog eene plaats over. Ik kon
er gebruik van maken, wanneer de vreemdelingen, die er
mede gekomen waren, maar het niet voor den terugrit
hadden aangenomen, hunne wandeling in het park hadden
afgelegd; want de koetsier begreep, dat deze zeer zeker
niet te voet den terugtocht naar de stad zouden aannemen.
Van mijn recht van eerstkomende gebruik makende zette
ik mij op de achterbank neer; daar zat ik ten minste droog
en besloot geduldig te wachten tot de heer en dame lang
genoeg gewandeld hadden. Geen vijf minuten later kwamen
zij al aanstappen, mijnheer met zijn pantalon tot de knieën
opgeslagen, mevrouw het grijze reisjaponnetje tot ver boven
de enkels opgetild. Zij zagen er uit of zij uit het water
waren gehaald. Zooals de koetsier verwacht had, legden
zij terstond beslag op het rijtuig en getroostten het zich,
dat er een derde bij hen zat ; 't was de eerste fâcheux
troisième, die zich in hun echtelijk leven voordeed.
Maar zij waren te nat om er iets van te gevoelen en de
derde toerist zelf ook. Zij zeiden niets en hij zeide ook
niets ; zelfs niet dat het goed voor hen was, niet altijd
alleen te zijn.
Ik dacht over de teleurstelling , die zulk een jong paartje ,
dat zijn huwelijksreis maakte, gevoelen moest bij dien
onafgebroken , nooit eindigenden regen , die mij van Em-
merik af niet verlaten had, en toen scheen het me toe,
dat ook ik mijn huwelijksreisje maakte en mijne levensge-
zellin een regenbui was.