Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
ê
ik bespeurde niets dan een paar kellners, die bij de nade-
ring van liet rijtuig naar buiten waren gekomen en nu op
het overwelfde perron wachtten tot het ophield , om onder
een paar parapluieën die glommen van het water waarin
zich de gaslantaarn weerspiegelde, den nachtelijken bezoe-
ker in ontvangst te nemen.
— Het regent sterk, zeide de kellner.
— Het regent zeer sterk, zeide de portier.
Toen brachten zij mij boven ; ik kon wel soupeeren,
maar het zou wel wat lang duren, daar alles reeds te
ruste was.
— Geef me dan maar een flesch Marcobrunner boven,
zeide ik, dan kan ik ten minste van binnen even nat
worden als de wereld rondom mij is.
Als het dien nacht eens goed doorregende, zou het den
anderen morgen wel droog zijn, naar mijne meening, en
met een gerust hart legde ik mij te slapen, overtuigd, dat
de waterellende doorgestaan was.
Bij het krieken van den dag werd ik wakker : was het
de doorbrekende schemering of het kletteren van het water,
dat mij uit den slaap gewekt had ? Of had ik misschien
wat dorst van den Marcobrunner ? ik weet het niet ; alleen
weet ik, dat het mij in mijn dommelenden toestand voor-
kwam , dat men op de verdiepingen boven mij de badkuipen
leegstortte. Toen sliep ik weer in tot het helder dag was.
— Helder dag is wel wat krachtig uitgedrukt, maar
het was dag en mijn horloge stond op acht uren. Mijn
eerste werk was naar de lucht te zien ; alles grijs en voor
mij hingen aan elk der bladeren van de boomen, die het
hôtel Victoria omringen, tien druppels. ]k kleedde mij
aan, ontbeet en keek weer naar de lucht; alles grijs, maar
aan de bladeren der boomen, die het hôtel Victoria om-
ringen , hingen geen druppels ; de aanhoudende regen ver-
oorloofde niet, dat zij zich vormden.
Des ondanks besloot ik om uit te gaan ; een toerist moet
zich niet door een regenbui laten dwingen. Ik had boven-
dien mijn parapluie, en om niet te veel last te hebben
van den natten bodem , sloeg ik den rand van mijn pantalon
om en wandelde naar het slot. Eer ik daar was kon de
lucht weder opgeklaard zijn.
Ik kwam er, nu eens rechts dan links uitwijkende voor
de breede, breedere en zeer breede stroomen op den hel-
lenden weg. Ku en dan stond ik stil om eens te overwegen
welke weg de minst natte was, maar al spoedig liet ik dit