Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
in dikkere over en op de glazen der portierramen nam de
eene droppel water naast den anderen plaats en vloeide met
zijn voorgangers samen om weder door nieuwe vervangen
te worden en wat daar buiten was zag men niet meer.
Onder de embarcadère te Keulen was het droog; daar
heerschte als altijd drukte en gejoel, en de reizigers, die
kwamen, en de reizigers, die gingen, en de kofiers en
kisten, die geladen werden, en de koffers en kisten, die
afgeladen werden, doorkruisten elkander in alle richtingen
en men vroeg zich zei ven af, hoe het mogelijk was dat alle
menschen en alle dingen nog hunne bestemming bereikten.
De zorg daarvoor, wat mij zeiven betrof, belette mij op
iets anders te letten dan op den trein, waarmede ik de
reis moest voortzetten. Toen ik zat waar ik zitten moest,
bemoeide ik mij ook weder met de wereld buiten mij. ■ Ik
zag de reizigers nog dooreenkrioelen of in wagens gezeten ,
die hen vervoeren moesten en waaruit zij mij aanzagen met
die lijdelijke onderwerping op het gelaat aan spoorwegrei-
zigers eigen. Zij weten, dat zij niets te kommandeeren
hebben, dat zij niet in of uit mogen stappen zonder den
wil van den conducteur en dat de machinist over aller lot
beslist. Als die wil stilstaan, houdt alle beweging op en
als hij derailleeren wil, is er geen mensch, die 't hem kan
beletten.
Toen ik zoo dacht, zal ik er wel net zoo uitgezien hebben
als zij , die ik voor de portierraampjes der andere treinen
zag zitten. Wij keken elkander evenwel niet lang aan ;
de trein naast mij vertrok en toen volgde de onze en wij
waren weldra buiten de embarcadère. Het werd iets lich-
ter, maar tegelijk begon de regen weder de ruiten te gee-
selen en ik zag niets meer dan de natte glazen.
Dat duurde een uur en toen nog een uur en vele uren.
Toen werd het donker. Ik zag den regen niet meer, maar
ik hoorde hem nog altijd, zelfs in mijn slaap, ja in mijn
slaap bovenal.
Eindelijk in den nacht kwam ik te Heidelberg aan. Ten
minste dat zeide de conducteur, want ik zag niets dan
duisternis en hier en daar een brandende lantaarn, die
mij de richting aanwees naar den weg. Daar nam ik een
monster-regendroppel, die ik aan sommige kenteekencn als
een droschki herkende, en reed naar 't hôtel Victoria.
„Dit liefelijk gelegen hôtel" enz. lag te midden van een
moeras , waaruit de terrassen , beelden , boomen en heesters
uitstaken. Dien nacht zag ik daar natuurlijk niets van ;