Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
GERAEÜ KELLER.
Een Zwitsersch reisje.
Anch io son pittore. Ook ik ben naar Zwitser-
land geweest. Ik ging er heen om eens adem te sclieppcn
en mijn tweede natuur — want ook het schrijven wordt
eene tweede natuur — bracht mede, dat ik er iets over
schreef. Een uitstapje naar Zwitserland moest, meende
ik, daartoe ruim stof aanbieden.
xSu , stof heeft het ook genoeg opgeleverd: in den vorm
van waterstof, als de natuur- en scheikundige lezers mij
veroorloven dit woord in de minder gebruikelijke beteekenis
te gebruiken. Soms verbeeldde ik mij de toerist te zijn,
die in de ante-diluviaansche periode zich op weg had be-
geven om den zondvloed eens te gaan zien , zooals men
in onze dagen naar de uitbarstingen van den Vesuvius
gaat kijken, of naar den doorgang der planeet Venus door
de zon.
Toen ik wegging was het een heldere lucht. Ik had al
veertien dagen op een blauwen hemel gewacht en nu die
zich boven mij uitspande liet ik haar niet, uit weerwraak,
eveneens op mij wachten, maar kleedde mij, gespte mijn
koffertje dicht, stak een sigaar op en wandelde naar het
station. Yoor alle zekerheid nam ik toch mijn parapluie
maar mede: men kon nooit weten.
Te Emmerik verwisselde ik van trein ; de formaliteit in
de zaal der douanen had een half uur gevorderd en in dat
half uur was de zon schuilgegaan. Eerst merkte ik het
niet eens; ik dacht dat de rijtuigen van den nieuwen trein
wat somber waren. Maar toen ik uit het portierraam zag,
miste ik den blauwen hemel.
Dat kwam wel goed, dacht ik; het kan zoo geducht
warm in den trein zijn, als de zon fel schijnt, en haalde
een boek uit mijn handkoffertje en ging lezen, want tus-
schen Emmerik en Keulen is er niets te zien en de
menschen, die met mij in de coupé zaten, lokten mij niet
uit om een praatje met hen te maken.
Aan de stations waar wij stil hielden , keek ik eens uit
en bespeurde, dat er een motregen scheen te vallen. Zoo
een wolkje dat zich ontlast, eigenlijke regen was het niet.
Maar toen wij Keulen naderden gingen de fijnere straaltjes