Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
had uitgeoefend, eerst recht tot bewustzijn, de gave der
improvisatie.
Zóo had zij een groot jaar geleefd , verdeeld tusschen het
atelier, tusschen de vroolijke bijeenkomsten in de Villa
Gloriosa, en bij wijlen het optreden in het kleine theater
als improvisatrice, waarmede zij reeds eenigen roem begon
te verkrijgen. Toen kwam de tijd, die eene verandering in
dit leven te weeg bracht, want Moreau moest huiswaarts
keeren. Zijne mater dolorosa was voltooid en met dit
groote werk wilde hij zijn vaderland bezoeken, om er de
ontwikkeling zijns talents ten toon te stellen.
Het kostte den luchthartigen schilder niet veel moeite
den lossen band, die hem aan het romeinsche meisje bond,
geheel te ontknoopen. Hij pakte zijne schilderijen en studiën
ter verzending, en op een najaarsmorgen stapte hij, na Mona
omhelsd en haar noch een zakje met scudi gelaten te heb-
ben , in zijn rijtuigje en verliet Rome.
Mona had hem zien vertrekken ; voor het afscheid had zij
menige hartstochtelijke uiting van gevoel; toen hij wegging,
stonden haar oogen droog maar gloeiend. Thans keerde zij
in het atelier terug, en te midden der kale wanden barstte
zij nu in tranen los.
— Verlaten! riep zij, de trouwelooze! — Hier ben ik
verkocht, hier ben ik gevallen, hier ben ik verlaten: ver-
vloekte wanden! — "Welk lot heeft eene vrouw! de man
verlaat, zij wordt verlaten !
Zij zette zich op de rustbank neder en bleef met het
hoofd in de handen zitten. De jaren , die voorbij gegaan
waren gingen noch eens in hare verbeelding voorbij ; het be-
wustzijn rees op, dat eene periode in haar leven was
afgespeeld, en zij zuchtte daarom niet naar een toestand ,
die niet meer te herroepen was. Toen sloeg zij de oogen
fier op, keek de toekomst stout in het gelaat zoo als zij het
gewoon was ieder te doen, en brak door een hevige daad
het verleden af
Zij nam het zakje met scudi, en den inhoud in hare hand
nemende, slingerde zij dien door het vertrek.
{Vogels van diverse Fluimage),