Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
reed voor eene kruisiging. Hij drapeerde en stelde Mona
voor eene weenende Maria. De zware tressen waren ont-
plooid en golfden om hare schouders, de handen waren
wringend saamgehouden. De schilder was begeesterd door
zijn voortreffelijk model, dat hij dadelijk op zijn doek bracht,
en in kloeken aanleg stond er na een poos arbeidens de
moeder Gods, weenende bij het kruis, wier origineel hij
het schoone gelaat omhelsde.
Mona's moeder sluimerde rustig voort: —sluimer voort,
moeder, en droom niet van den rentmeester, wien een talent
was toevertrouwd; sluimer voort, moeder, en droom niet
dat gij uw kind vermoordt, terwijl uw kind de Moeder-
maagd nabootst, juxta crucem lacrimosa, jammerende om
den dood van haar kind.
— Stabat mater dolorosa! prevelde de oude vrouw, toen
zij ontwaakte. Mona, ik droomde dat de Heilige Madonna
mij opnam in haar schoot, — en zie, het is de Heilige
Madonna, waarin ik nu mijn geliefd kind herken!
Zij ontving haar geld, en de beide vrouwen verlieten de
werkplaats. Op de straat gekomen beproefde de moeder
tegen een steen den klank van het geldstuk, en toen zij
het echt bevond stak zij het in haar zak; voor eenige kleine
muntstukken kocht zij aan den hoek der straat in een kraam
met gewijde voorwerpen een gezegenden penning, dien zij
aan Mona's bidsnoer bevestigde.
Toen zij den terugtocht hadden volbracht en te huis
waren gekomen, was de oude vrouw bizonder tevreden.
Het ongedierte, dat haar buurvrouws vruchten had ge-
teisterd, had de haren gespaard, en behalve deze en andere
blijkbare gevolgen harer devotie, had zij zelve met hare
dochter een zegen ontvangen , hadden zij een offer gewijd
aan een Heilige en noch geld overgewonnen. Wat al zegen
en heiliging. Alleen een heiligdom was ontwijd — de
kuischheid van het gemoed haars kinds.
De zoo zichtbaar gezegende bezoeken werden telkens her-
vat , want de fransche schilder betaalde ruim. Wel was het
een vermoeiende taak voor de reeds bejaarde moeder, die
herhaalde tochten naar de stad te doen. En dan was de
dochter noch norsch en stug.
— Wat prevelt gij toch, moeder ?
Zij prevelde wat; daar kwam iets in van , wat een moeder
toch sloven moet voor haar ondankbaar kind.
Behalve voor het groote passiestuk, had Moreau zijn
schoon model voor verschillende onderwerpen en studies ge-