Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
vruchten, en zette zich in beweging. Het meisje droog
niets dan een tak van den vijgeboom, waarmede zij zich
waaide. Zij trokken over de onbebouwde groaden, aan
wier verbetering niemand scheen te denken, en waarop
het water van regen en overgevloeide stroomen bleef staan
in poelen, wier ongezonde uitwasemingen de lucht bedier-
ven. Zij gingen den gelen Tiber over, de voorstad door,
tusschen een rij van kleine huizen ter eene en een hoogen
muur ter andere zijde, totdat zij kwamen aan de Porta
del popoio. Daar vonden zij de landlieden, beladen met
de koopwaren, die zij in de stad kwamen brengen ; moeder
en dochter droegen geen koopgoederen; het meisje zelfwas
de waar , die door de moeder moest verkocht worden.
Nadat zij hare devotie gedaan en den zegen ontvangen
hadden , gingen zij naar de trap der Piazza di Spagna,
waar de kunstenaars gewoon waren hunne modellen te
vinden.
Met een jong schilder uit het zuiden van Frankrijk ,
Charles Moreau, die de italiaansche taal goed sprak, had
de moeder weldra een gesprek aangeknoopt, dat echter tot
geen overeenkomst leidde. Beide vrouwen volgden hem
evenwel de straten door, tot in zijn atelier. Moreau , hetzij
hij in gedachten was, hetzij hij geen modellen noodig had,
sloeg niet veel acht op haar.
Hij stapte in zijn atelier op en neder en antwoordde , dat
hij niets behoefde. Toen rukte Mona's moeder haar het
hoofddeksel af, den halsdoek van de schouders en opende
geheel haar bovenkleed.
— Zij is toch schoon genoeg, Signore, zeide zij op
scherpen, verbitterden toon, gij zult ze niet schooner ont-
moeten.
Moreau zag op. Hij zag nu de uitnemend schoone maagd
aan , zoo als zij daar stond, na de daad harer moeder. Haar
gelaat gloeide van het naar het hoofd gestegen bloed, de
oogen fonkelden. Het was niet van gekwetste zedigheid,
het was van verbeten woede, gemengd met een slechts
even door schaamte getemperd trotsch besef van haar
schoonheid.
— De par tous les Saints du Paradis, zeide de schilder
half luid , quelles hanches, quel port hautain, et quelle
nuque admirable !
De moeder had zich in een zijvertrek op een rustbank
neder gezet, en ging insluimeren. Moreau vatte terstond
het denkbeeld eener compositie op. Hij had schetsen ge-