Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
gedeeltelijk op liet meisje, dat tegen de stijlen leunend
daarin stond. Sterke kleuren sierden het kind van het
land der kleuren , een roode keurs op een blauwen rok, een
voorschoot met bonte rijen bestreept en een veelvervige
doek op het hoofd.
"Wat gewaarwordingen woelden al in dat jonge brein
rond! Zij sloeg geen acht op de groepen van pelgrims,
die den moeilijken, bergachtigen tocht van Viterbo af voort-
zetten , pelgrims van verschillenden leeftijd en kunne , meest
van geringen stand. Zij bemerkte het niet waar die haar
dorp doortrokken en weer verlieten, de dorre Campagiia
over, allen in de richting der heilige stad , en zij lette op
de devotie niet van velen , die op de knieën vielen en zich
kruisten bij het gezicht van den koepel van Sint Pieter,
als die zich voor het eerst in de verte aan hen voordeed.
Toch had zij ook zelf een rozekrans in de hand , maar die
haar onbemerkt ontglipte. Ook haar blik was strak ge-
vestigd op den koepel van het heiligdom ; maar indien wij
aan de gevoelens , die in haar gemoed dooreen woelden,
vormen hadden kunnen geven, — en ze had het kwalijk
zelve vermoogd in dien eersten wordingstijd van het noch
maar ten halve zelfbewuste leven, — wij hadden andere
dan geestelijke denkbeelden opgemerkt. Dan hadden wij
dien koepel zien worden het teeken der wereldstad, der
groote, weelderige, levendige metropool, waar het leven,
aan de bespiegelingen en de eenzaamheid ontrukt, den
onverpoosden strijd oplevert van het haken naar genot,
naar voldoening, een leven , dat zich zelf ten doel is.
— Moeder! riep zij, omziende naar binnen, waar blijft
gij , kom, kom ! en zij stampte met den voet. Ka eenig
tal men verscheen de moeder , eene getaande , noch krachtige
maar oud schijnende vrouw.
— Ja, ja, mijne Mona, uwe moeder is zoo sterk en vlug
niet meer als haar schoon kind. En zij streelde de wang
van het meisje, dat door eene beweging van haar arm die
liefkozing afduwde.
— Waarom wilt gij dan ook te voet naar de stad gaan ?
waarom tuigt gij den ezel niet op ?
— Wij moeten wat voor de Heiligen over hebben , ant-
woordde de oude vrouw; onze reis zal voorspoediger zijn,
als wij ook het oöer onzer vermoeienis brengen.
De moeder kuste den Sant die aan den post der deur
was gespijkerd , nam den staf met hot kruis op en de ge-
vulde omvlochten flesch, en den zak met eetwaren en wat
3*