Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
kaas, een snaps of bier bekomen. Er wordt tevens ge-
danst , gezongen en gerookt. In gindsche wafelkramen,
waar een vrouw de wafelen lekker en luchtig bakt, en waar
fransche airtjes gezongen worden , zien we een jongman met
zijn meisje achter de gordijntjes plaats nemen. Daar staat
de schaal, waarop ge u kunt laten wegen, en de draai-
molen , waarin de jongens tornooispelen. Zelfs de zak-
kenrollers ontbreken niet, noch ook het „dauwtrappen"
in 't Bosch van knechts en meiden, alreeds uit hun dienst
gegaan, noch ook de herberg, waar men de volle wijn-
roemers leegt.
Het spel de drie Kronen bestond, zegt men, reeds
in 1715. De vier Kronen ook. Van Hoven vertelt
ons in zijn „Amsterdamsche Kermis" dat dit spel er reeds
in 1709 was en de aanzienlijke kermisgasten het bezochten.
En zoo verhaalt ons ook A. Fokke Simonsz. in zijn „Am-
sterdamsche Kermis" van 1800, dat het spel, genoemd de
vier Kronen, sedert meer dan negentig jaren werd gesticht
door zekeren Paulus Alexis, aan wiens zoon Alexander
Alexis (die dan toch ook al mooi oud moet geweest zijn)
het nog in 1800 behoorde. In dat spel werden fraaie kunst-
werken en perspectieve gezichten vertoond , zooals maan-
licht en het aanbreken van den dageraad, en voorts een
treur- of een blijspel, door beelden, die armen en voeten
bewogen, alsmede de aardigheden van Arlequin , Chineesche
schimmen enz.
Op den Mei 1702 werd besloten om gedurende de
kermis altoos twee brandspuiten in het Valkenhuis op
't Buitenhof te hebben. Dit belette echter niet dat zes
en vijftig jaren later, in den vroegen ochtend van 10 Mei
1758, brand ontstond midden op 't Buitenhof in een kraam
van gedistilleerde wateren en oliën, en dat in éen uur
tijds zestig kramen verbrandden. De brandspuiten waren
toen niet in te besten staat. Vooral leden de manufactuur-,
kant-, spiegel- en galanteriekramen.
In de Mei-kermis plachten ook de schutters „met hun
vol geweer, vliegende vendels en slaande trommen" langs
de voornaamste straten en pleinen van den Haag te trek-
ken. Dit was bij ordonnancie van 15 Maart 1617 bevestigd
en duurde nog tot in de 18*^® eeuw. Toen echter begon er
zich meer en meer „ostentatie van pronk en praal" bij de
schutters te openbaren , zoodat sommigen boven hun vermo-
gen aan hun uitrusting verspilden, waarom dan ook de
wapenschouwing door den Magistraat werd geschorst.