Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
als de paardenmarkt op Dinsdag van de Mei-kermis her-
plaatst.
In 1647 werd de kermis gehouden op de Prinsegracht,
toen nog slechts tot op de hoogte van de Brouwersgracht
bebouwd. Daar het lijk van den Stadhouder Frederik Hen-
drik , die op den lO"^«^» Maart was overleden, nog tot den
lOden Mei boven aarde stond, wilden de leden van 't prin-
selijk Huis er gaarne van verschoond blijven, de kermis
vlak voor 't Stadhouderskwartier op 't Buitenhof te zien.
De eigenlijke kermisplaats was toch op Buitenhof, Vijver-
berg en Voorhout.
Uit het begin der eeuw 18 ons een ,, schilderii
van de Haagsche Kermis" bewaard gebleven. De vreugd
werd ingewijd door 't planten van den Meiboom. Dit ge-
beurde op den eersten Mei, Het „hei! 't is in de Mei
zoo blij" leefde toen meer onder 't volk dan tegenwoordig,
ofschoon we ook thans nog in Bloeimaand de kinderen uit
den lageren burgerstand groote takken bloeienden meidoorn
van hun Zondagsche wandelingen kunnen zien thuisbren-
gen. De Meiboomen dan, soms vrij hooge masten , met
guirlanden van jonge bladeren versierd, werden op het
Binnenhof geplant voor den ingang der vergaderzalen van
hun Hoog- en van Hun Edel Groot Mögenden en evenzoo
voor de andere hooge eollegiën van Staat en voor de wo-
ningen der aanzienlijke staatsdienaren. Deze Meiboomen
bleven daar de gansche maand staan.
Men at in die dagen niet alleen kermiskoeken, maar
ook kermishammen. De Haagsche schoonen gingen
op de kermis wandelen, en 't is te hopen dat de lieve
Meimaand toen minder guur was als ze thans meermalen
pleegt te zijn, want de jufferschap was gehuld „in luchtig
kleed", naar de mode van dien tijd, met ontblooten boe-
zem , doch daarentegen gemaskerd en met rijke sieraden
opgesmukt. En als men daar zoo 's morgens op de ker-
mis drentelde, wisselden de beeren en dames, al hadden
ze elkander ook nooit van te voren gezien, onderling
allerlei geschenken. Geen wonder, dat er nog aleens bru-
tale onder liepen , die de dames achter hare maskers deden
blozen.
Ook van Effen vertelt ons daarvan in zijn M i s a n-
thrope. „Toen ik, zegt hij, in 't beste van mijn leven
was, vermaakte ik mij gemeenlijk op de Haagsche kermis.
Ik schepte vooral een wonder groot behagen in 's mor-
gens lieden van fatsoen van de beide seksen op de kermis