Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
tueus. In het eerst werd ik huiverig van die ontzettende
zuilen en liep weg: maar alle dagen ging ik met Pierre
verder en eindelijk durfde ik tot dicht voor het altaar
komen. Ik zou weieens willen weten , wat of daar eigenlijk
is, dat zij het hoogwaardige noemen en zoo eerbiedig be-
jegenen.
— Daar is niets dan een kostbaar kastje , waarin zich
een doosje bevindt met een stuk ouwel; dat is alles en
anders niets, en daar vallen al die dwaze menschen voor
op de knieën.
Het kind schudde ongeloovig het hoofd , en mompelde
bij zich zeiven: Niemand daarachter P Niemand in die
diepte, daar al dat licht van daan komt; zijn al die men-
schen dan gek ....
— Niemand is daar, ging de dokter voort, het is alles
bedrog en poppenspel voor domkoppen, en gij wilt immers
een groot man worden P ....
— Ja, ja, dat wil ik, een zeer groot man.
— Welnu, loop dan niet meer naar die kerken, al is
er nog zooveel moois te zien. Geen wijs man komt daar
meer. Wilt gij kushandjes aan die stomme beelden zen-
den , en aan hout en steen vragen om u te helpen als gij
in nood komt ? Als gij zulk een domoor zijt van niet
te begrijpen, dat een schilderij of beeld u niet verstaan of
helpen kan, dan zijt gij een lompe gans , en er zal niets
van u groeien als een lage slaaf van priesterbedrog. Daar-
voor heb ik u willen bewaren ; met groote moeite is het
mij gelukt u uit de macht der kerk te houden. Ik heb
u niet laten doopen of communie laten doen ; ik heb u
omringd met verstandige en trouwe lieden, die u nooit
over al die domme fabelen gesproken hebben, welke be-
krompen menschen godsdienst noemen, opdat uw geest
vrij en onbevangen mocht blijven, om het waarachtig licht
der wetenschap te ontvangen, en niet neergebogen onder
het wicht van eene kleingeestige plichtenleer. Ik wijs u
maar op een plicht: die van steeds te trachten gelukkig
te zijn. Doe niets wat u ongelukkig kan maken ; geloof
niets dan wat gij begrijpt; de wijsgeer neemt niets aan dan
wat hij voor wijsheid houdt, en wat niet met zijne rede
rijmt, dat is ongerijmd — wijs dat van u. De menschen
hebben ten allen tijde naar den oorsprong der dingen ge-
zocht, en daarvoor goden uitgedacht, die zij met hunne
eigene driften en dwaasheden bedeelden. Dat ligt alles
achter ons en behoort tot het verleden; wij vereeren het