Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
•— Een mooi ding, en gij zegt mij daareven nog, dat ik
200 vrij ben als een vogel, dat ik niemand heb te gehoor-
zamen ? Waarom wilt gij niet,' dat ik gaan zal, waar ik
het zoo heerlijk vind ?
De dokter voelde dat hij een grooten misslag in over-
ijling had begaan. Want, ofschoon hij heden niets anders
had uitgesproken dan de beginselen , die hij nu veertien
jaren gevolgd had, zoo was de natuur nu en dan sterker
en beter geweest dan zijne onnatuurlijke theorie, en het
kind had, ondanks 's vaders dwaze woorden, toch door
de werkelijkheid des levens meni^aal geleerd, dat zijn
hulpbehoevende toestand hem tamelijk afhankelijk van zijne
ouders en andere sterkere en oudere personen maakte. Doch
hoe meer hij physiek en intellectueel in kracht met de vol-
wassenen gelijk meende te komen, zooveel te meer gelijkstel-
ling zochten zijn waan en zijne eigenliefde, zoo te teugel-
loozer kwam zijn zelfzucht te voorschijn.
— Kind, zeide hij eenigszins onthutst, het hoofd schud-
dende , gij kent uw geluk en uwe voorrechten nog niet.
— Kind ? riep Hygie verontwaardigd. Ik wil nu geen kind
meer heeten.
— Wees niet zoo wild, dan zal ik u iets belangrijks
mededeelen. Luister: de meeste ouders brengen de kinderen
naar de kerk ....
— Ja, la, dat heb ik gezien, dan krijgen zij het heilige
doopsel, heet het zoo niet? . . . En ik ben niet gedoopt;
zij verwijten het mij ; waarom hebt gij mij niet laten
doopen ?
— Omdat doopen een bijgeloovig gebruik is, dat zoowat
hetzelfde beteekent als u aan de priesters te verkoopen.
En zoo gij mij iets te danken hebt, dan is het de vrij-
heid die ik u gered heb ; daarom zeg ik u: gij behoort u
zeiven; de anderen behooren aan de kerk, aan de pries-
ters. Wat hebt gij met hunne kerken te maken ? Wilt gij
schilderijen zien P Wilt gij beelden bewonderen ? Ga naar
het Louvre. ^^aar Versailles zal ik zelf met u gaan. Een-
maal geleid ik u naar Italië. Wilt gij muziek hooren ? Wij
zullen in de Champs Elysées de schoonste muziekuitvoerin-
gen bijwonen , en voor die weinige waskaarsen, die op de
altaren flikkeren, zal ik u de schitterendste illuminatie op
het veld van Mars laten zien; maar ga niet meer zonder
mij naar de kerken.
— Ik ben er zoo gaarne, vader. Ik houd het meest van
de St. Eustache. O, wat is die ontzaglijk hoog en majes-