Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
Hygie begon luidkeels te lachen, wierp zich achterover
in het bed , sloeg zijne beenen in de hoogte , en buitelde
eenige malen over zijn hoofd, als wilde hij , door de kin-
derachtigste daden, zijns vaders hoogdravende woorden
logenstrafien.
Daarop vloog hij overeind, en met zijne beide armen
hartstochtelijk zijn vader omhelzende , zeide hij vleiend : Gij
zult mij toch niet verlaten? Gij zijt immers nog mijn lief,
goed vadertje ? En zal ik niet altijd uw eigen ondeugende
Hygie zijn en blijven?
— Zeker , zeker , mijn jongen , antwoordde de dokter,
hem bewogen aan zijne borst klemmend , ik wil alleen , dat
gij tot vrijheid en zelfstandigheid zult opgroeien en een
onafhankelijk en krachtig man worden.
— Ja, ja, dat is mooi, papa; gij zult mij dan nu ook
wel toestaan te rooken en cognac te drinken. Ik wil ook een
geweer hebben en een degen om te schermen.
En nu sprong hij uit het bed, als schoot hem eensklaps
iets te binnen , greep zijne kousen en begon zich zoo haastig
te kleeden , dat de dokter moest vragen:
— Wat beteekent dat toch?
— Jk had daar haast vergeten , dat ik uit moet; ik heb
eene afspraak met Pierre, en nu zal hij mij wachten.
— Waar moet dat zoo vroeg heen ?
— Naar de kerk. Pierre heeft mij gezegd dat het er
vandaag heel mooi zal zijn. Er is iets aan de hand.
Geheel ontsteld op dit bericht, riep de dokter:
— Maar wat is dat nu, Hygie ? Hoe komt het in uw
hoofd alleen naar de kerken te gaan ? Heb ik u niet be-
loofd u al de merkwaardige gebouwen der stad te laten
zien? Wij zijn nog geen maand hier, en hoeveel heb ik
u niet reeds vertoond.
— Ik weet niet, waarom ik intusschen niet eens naar
de kerk zou gaan. Het is er zeer prachtig; ik vind het
er eigenlijk pleizieriger dan op het museum, want daar is
geen muziek, en daar zijn geen altaren met brandende
waskaarsen.
— Gij zijt er dan al meer geweest, riep de dokter ver-
bitterd, Wie heeft u daar gebracht?
— Ik ben met mijne vrienden meegegaan. Ik houd van
dat gezang en dien wierookgeur. Er is iets wonderbaars in
die kerken, dat mij boeit.
— Maar ik wil volstrekt niet, dat gij daar gaan zultl
sprak de dokter nadrukkelijk.