Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
XL eer aan; ik ben er trotsch op een zoon te hebben, die
zijn naam beroemd wil maken. Dit is al, wat een vader
wensehen kan. Want het getuigt van uwe eerzucht. Gij
moet uw naam en uw vaderland tot eer worden. Gij zijt
Franschman; gij behoort tot het groote en roemrijke volk,
dat de andere volken den weg wijst op de baan der ver-
lichting en beschaving; daarenboven stamt gij uit een edel
geslacht, dat steeds de eer heeft vast gehouden en door
vele beroemde personen is opgeluisterd; vermeerder dat
getal, wees uw geslacht en Frankrijk tot eer. Wel had
ik u liever de wetenschap zien kiezen dan de kunst, maar
gij zijt tot vrijheid geboren , volg uw eigen overtuiging,
en veracht eiken dwang als eene slavenketen, waardoor
geen vrij man zich moet laten vernederen. Hoor alleen
de stem der rede en der eer. Gij zijt nog wel jong, maar
gij kunt de waarheid niet te vroeg vernemen; de eenige
wetgever in het heelal is de natuur, en de eenige wettige
souverein op aarde is de menschheid; de eene mensch
hoeft over den andere den meester niet te spelen; wij zijn
allen gelijk, allen broeders. Ik ben niet van die bekrom-
pen vaders, die hunne kinderen als hunne lijfeigenen tot
eene slaafsche gehoorzaamheid dwingen, of hen eene ge-
veinsde vereering afpersen; gij behoort niet aan mij , niet
aan den staat, niet aan de kerk, gij behoort alleen aan
u zeiven.
— Vader! riep Hygie verschrikt, vader, wat zegt gij
daar? Ben ik uw kind niet, uw eigen kind niet? . . .
— O ja, gij zijt mijn wettige zoon, maar ik bedoel,
dat ik nooit mijne kracht wil meten met uwe zwakheid,
dat ik u nooit in iets wil dwingen; gij behoeft mijne
opinie niet te volgen; mij niet te vreezen als een stren-
gen tuchtmeester. Gij hebt mij niets te danken; al uwe
vermogens hebt gij van de natuur alleen; ik wil slechts
uw makker, uw vriend, en vooral ook uw raadsman zijn,
omdat de wereld nog een onbekend land voor u is.
De plechtige, theatrale toon, waarop de door nacht-
waken overspannen vader dit alles uitsprak, verbaasde het
kind ten hoogste; hij wist niet of hij lachen of schreien
zou, en begon , om zijne houding te redden , weer te fluiten.
— Stil, mijn zoon, hervatte de dokter, den vinger op-
stekend met statig gebaar. Weet gij wel, dat het heden
een hoogst belangrijk oogenblik is ? Gij hebt eene keus
gedaan voor uw leven; gij zijt daardoor mensch geworden ;
gij zijt van nu aan geen land meer.