Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
gezondheid siert het gevuld gelaat van den slapenden knaap ,
al zijne spieren zijn vol en krachtig; hij is groot en sterk
voor zijne veertien jaren, en niet minder vlug en schran-
der. Dit spreekt .uit al zijne trekken en bewegingen bij
de kloeke behendigheid, waarmede hij ontwakend zijne
jonge leden uit het groote beddelaken loswikkelt, en uit
de stoute blikken, die hij in het rond slaat, nu hij zich op
zijn leger opricht, en leunend op zijn nog ronden arm , met
de andere hand in zijne rijke, krullende lokken woelt om
ze tot de hoogste kuif op te zetten, terwijl hij glimlachend
tot zijn vader opziet en zegt: Ik heb gedroomd , dat ik
groot, heel groot en sterk was.
— Ge zijt groot en sterk genoeg voor uwe jaren , mijn
jongen , antwoordt de vader, de hand op zijn hoofd leg-
gend ; maar met eene driftige beweging slaat het kind de
hand weg.
— IIo, ho wat, vadertje! Gij beschadigt mijn kuif, ik
wil hem hoog dragen als in mijn droom; o, kon ik zoo
groot en sterk worden.
— Zoudt gij een domme reus willen zijn ?
— O, neen, maar ik wil een groot man worden , een be-
roemd man, antwoordde het kind, en het bleef met beide
handen al zijn haar omhoog werken , alsof dat hem hel-
pen kon.
— Maar wat wilt gij dan worden ; hebt gij daar wel eens
ernstig aan gedacht P
— "Wat ik worden wil, riep de knaap met geestdrift
opspringend, — ja, ja, dat weet ik al lang.
— En dat is H
— Ik wil schilder worden, als Horace Vernet bij voor-
beeld.
— Meent ge dat in ernst, mijn kind?
— Ja, dat meen ik, dat heb ik mij vast voorgenomen,
toen gij mij de schilderijen der groote meesters op het Louvre
en het Luxembourg hebt laten zien, en gij weet, ik doe
niets liever dan teekenen.
De vader stond daar alsof een orakel tot hem had ge-
sproken bij het bedje van den toekomstigen kunstenaar,
die zijn arbeid nu weder aan zijne wilde haren voortzette
en lustig begon te fluiten.
— Wees stil, mijn jongen, luister nog even. Wat gij
daar gezegd hebt, bevalt mij ; gij zult schilder worden. Of
gij een beroemd schilder zijn zult, zal van uwe vlijt en
volharding afhangen. De keus, die gij gedaan hebt, doet