Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
man van middelbaren leeftijd, met een vol en rond gelaat,
kleine , diepliggende , levendige oogen , fijne , schier vrou-
welijke wezenstrekken , en eene rustelooze beweeglijkheid
van alle spieren en zenuwen, zoodat zijn gelaat bij elke
gedachtenwisseling ook van vorm en aard scheen te ver-
anderen , en zijne verschillende houdingen evenzeer den
snel vlottenden stroom zijner aandoeningen ontwijfelbaar
vertoonden.
Dr. Alphonse Beaujeu is thans op zijne wijze zeer be-
daard, Peinzend begint hij zich wat te verfrisschen en te
toiletteeren. Hij bekreunt er zich niet om of iemand zijner
overburen hem daarbij bespieden kan. Immers het zou
in zijn hoofd niet opkomen, ooit naar die buren uit te
kijken. En toch zijn er een paar donkere oogen, die
hem uit een tegenoverliggend dakvenstertje onafgebroken
gadeslaan.
Is liet zijne behoefte aan versche lucht, die hem onwil-
lekeurig telkens weder naar het wijd opengeslagen venster
drijft, om daar te blijven staren tot ergernis van den
overbuur, die het er vast voor houdt, dat 's mans oog
niets zoekt dan hem alleen; maar bijziende als hij is,
merkt hij niets van de lieden aan de overzij, zoo min
als hij de scheldwoorden en bijnamen hoort, die hem
van daar toegezonden worden, terwijl iemand nijdig een
venster dichtslaat. Hij staart in de verte, naar de ruimte,
hoog boven de daken — hoog boven heel Parijs en heel
Frankrijk heen , alsof zijn blik door alle nevels wil dringen,
en enkel klaarheid en licht aanschouwen mocht.
Wat zoekt dat dwalend oog? Het land der toekomst
— de toekomst der wereld — de toekomst der mensch-
heid — de toekomst van zijn vaderland — de toekomst
der maatschappij — de toekomst van dat kind allereerst —
van dat knaapje, dat zich daar op het open bed naast hem
beweegt, en woelt en zich rekt zonder te ontwaken.
Met welk eene trotsche ingenomenheid slaat hij den
kleinen worstelaar gade, die met saamgenepen lippen tegen
zijne beddelakens vecht en ze van zich rukt, alsof het
slangen waren, die hem hadden omkronkeld.
— Ja, ja, mijn jongen, gi] moet vrij worden; óok gij
zult uw verlossingskamp bevechten. Goed , dat uw moeder
het niet ziet, hoe ge tobt; zij zou vreezen, dat er geen
draad van het linnen heel bleef. Ja, mijn jongen, gij
zult wellicht meer zien van den bevrijdingsstrijd dan uw
vader. Ik zal er u voor vormen om een kampioen voor