Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
zacliten purpergloed , en zal hem eerst zeer langzaam ophef-
fen, als wilde de natuur deze rustelooze bevolking niet te
vroeg tot de tallooze en onnoemelijke woelingen doen ont-
waken ; — zij wacht echter die onthulling 'niet lijdelijk
af. Voordat het luchtige kleed van den nacht, of liever
van den morgen , geheel is opgetrokken, zal alles op de
been zijn. Het gedreun en gedruisch van wagens en paar-
den , en het gebons en het geklop van werkplaatsen neemt
van alle kanten met een levendig crescendo toe; de eene
spoortrein geeft antwoord aan den andere; de omnibussen
verschijnen weer in hunne wijken; naar alle pleinen spoe-
den de fiacres om er in het gelid te treden. Straks slooft
en draaft alles gelijk gisteren en eergisteren, en woelt en
stormt en bruist weer verder, alsof er geen verpoozing
ware geweest.
Maar het is nog zeer vroeg en stil in de straten ; alleen
de voorloopers van het leven des daags zijn pas even uit
hunne schuilhoeken te voorschijn gekomen : de straatjon-
gens , weldra opk de werklieden, in hunne losse, witte
blouses, eh de fabrieksgasten en bedienden van beider
sekse; zij ontmoeten de van buiten komende landlieden
en de opkoopers en vrachtrijders , die reeds uit de halles ,
waar nooit rust is, terugkeeren met levendig gesnap en
gejoel.
Overal gaan ramen open om lucht en licht binnen te
laten stroomen, en wel van de zolderkamertjes en bo-
venste verdiepingen het eerst. Hier en daar verschijnen
fantastisch uitgedoste personen voor de geopende vensters
om naar het weer te zien, of een paar bloempotten te
verzorgen.
In de rue St. Honoré staat een groot huis met een
breede poort in het front, die naar een ruim binnenhof
voert. Alle dakvensters zijn er reeds open, en ook au
quatrième en au cinquième ziet men allengs gordijnen van
zeer verschillende stof en tint wapperen, en ongekapte
hoofden buitensteken. Maar op den ganschen binnenhof
is geen venster zoo vroeg open als het hoekraam der derde
verdieping. Men zou haast moeten denken, dat het niet
gesloten is geweest. Maar dit was het geval niet; den
ganschen nacht had daar een helder licht gestraald , en
bij het aanbreken van den dag kreeg hij, die er achter
had zitten werken, behoefte aan lucht en stak ook het
hoofd buiten. De morgenwind bewoog de grijze lokken en
bekoelde de brandende slapen van een klein, zwaarlijvig