Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
mischen des waters om althans een enkelen schüchteren
blik in den afgrond , waardoor het heênstroomt, te werpen.
Loodregt stegen de rotsen naar boren ; slechts met achter-
waarts gebogen hoofde konden wij nog iets van den hemel
boven ons waarnemen, en wij huiverden — maar niet van
koude alleen — bij het staren in.de krocht, waarin slechts
tegen het middaguur een enkele zonnestraal indringt, ilier
was, in het laatste jaar der vorige eeuw, moorddadig ge-
vochten tusschen Oostenrijksche en Fransche soldaten , en
gindsche diepte — zeide onze gids — had honderde lijken
verzwolgen. Onwillig wendde ik bij de gedachte mij af,
hoe ook de meest majestueuze tooneelen der schepping door
menschelijke boosheid ontwijd worden , en dacht aan de
woorden van Schiller, in zijn Braut von Messina:
„Die Welt ist vollkommen überall,
Wo der Mensch nicht kommt mit seiner Qual."
Maar — welk een onderscheid tusschen het donkere
Urnerloch, dat wij doorreden , en het vriendelijk Ursenthal,
waar wij intraden ! Wel vonden wij er den rijkdom en de
weelde der schepping niet meer — geen wonder, dit dal
is 4500 voeten hoog, en het wintert er acht maanden des
jaars. Maar toch lachten de dorpen Andermatte en Hos-
penthal ons liefelijk tegen ; het laatste zou ons een rust-
plaats bereiden. Ik sla hier den eersten blik op een dal,
dat grootendeels uit akkers bestaat, met kale, gedeeltelijk
besneeuwde bergen omgeven , en maak mij tot den togt naar
den Furca en den Grimsel gereed, die best van hier onder-
nomen wordt. Welligt zullen zij mij in een ander opzigt
vergoeden, wat mij de Eigi deed missen !
(Op Reis).
ELISE YAN CALCAR, SCHIÖTLING.
Dr. Alphonse Beaujeu.
De dichte morgennevel rust nog op de sluimerende Seine-
stad, en verbergt al hare heerlijkheid en hare ellende. De
rijzende najaarszon kleurt dien dunnen sluier met een
2*