Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
St. Gothardstrasse in. Een schoone brug over de scliui-
mende Eeuss bragt ons op die baan , die ongetwijfeld onder
de gedenkteekenen van menschelijke krachtsinspanning en
volharding eene eerste plaats mag bekleeden. Verbeeld u
een langzaam, maar aanhoudend opstijgenden weg, ten
deele uit het gruis der rotsen geplaveid, die men met
buskruid liet springen, om zoowel aan voetgangers als
vooral aan handelstransporten een veilig spoor naar gind-
Bchen St. Gotthard en over dezen naar Italiens vlakten te
banen. Een weg, grootendeels aangelegd aan een van de
oevers der Eeuss, den wildsten der Zwitsersche stroomen,
dien ik tot dusver leerde kennen, die over een oneffen
bed van vormlooze steenklompen in een oneindigen waterval
benedenwaarts stort, zich wentelend in tallooze natuurlijke
ketels en krochten en kolken, en telkens van nieuwe wa-
tervallen ter regter en ter linkerzijde nieuwen toevoer
ontvangt. Hoe tel ik u al de merkwaardige punten op,
waarop onze aandacht zich vestigde, hetzij wij opston-
den om achterwaarts te zien in de telkens diepere diepte;
hetzij wij het waagden een blik in den afgrond aan onze
voeten te werpen , waarvan wij den bodem niet peilden !
Herinnert gij u nog , wat ik u . een paar jaar geleden , over
het dal van de Bode en de Hartzstreken schreef, denk u
dan eene soortgelijke omgeving, maar op ten minste twin-
tigmaal grootere schaal, en gij hebt daar eenige voorstel-
ling van. Bladzijden zou ik kunnen vullen over een on-
derwerp , waarvoor ik slechts regels bestemde , indien ik
u alles schrijven wilde , dat, zoo ik hoop, onuitwischbaar
in mijn geheugen zich prentte. Ik noem slechts het Teu-
flawidal, door hetwelk iederen winter van gindsche hoogten
magtige lawinen ter neerstorten. Ik noem de kunstbrug
bij den „Pfaffensprung," waar, volgens het oude verhaal,
een monnik met een meisje , door hem ontvoerd, in den
arm, zijnen vervolgers ontsnapt zou zijn met een vreeselij-
ken sprong over rotsen, tusschen welke de Reuss schuimend
en sissend daarheen stroomt. Ik noem den stouten rots-
tunnel , dien wij doorreden, om in het Brugwald te komen:
treffend beeld van zoo menigen donkeren levensweg , slechts
door enkele, zijdelings invallende lichtstralen opgeklaard!
Ik noem bovenal het punt, dat wij reeds met verlangen
verbeidden, de nieuwe Teufelsbrücke, die schuins boven
de oude geplaatst, zich met trotsche bogen welft over de
verbolgen rivier. Het waterstof, dat ons van alle kanten
omspatte, verhinderde ons evenmin als het oorverdoovend