Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
Ook ik spoed mij naar buiten , in mijn mantel gewikkeld,
maar de stralen mogen helder genoeg zijn om ons overal
nevel te toonen , zij kunnen den nevel niet wegdrijven. In
het kort, en opdat gij u niet even sterk vervelen zoudt
als sommigen deden, de avond gaf niets, en de morgen
niets meer. Na een vrij onrustigen nacht klonk de Alpen-
horen wel liefelijk, om alle gasten te wekken, maar de
meesten bleven wijselijk achter, en mögt ook ginds op het
hoogste punt, nevens mij , zich een groepjen aanschouwers
vereenigen , het tooneel was ondoordringbaar gesloten. De
nevelkoningin bleef onbewegelijk op haar wolkenbed rus-
ten , en schoon wij ook iets ontwaarden van wat onmid-
dellijk aan den voet des bergs was gelegen, het miste den
tint van het leven.
Waartoe mij groot gehouden, mijn vriend ? De teleur-
stelling — gij hebt het trouwens reeds bemerkt — kostte
mij veel. Ik was op het punt, te vergeten, dat op de
reis door Zwitserland , gelijk op heel de reis door dit leven,
de verijdeling van menigen wensch ons nimmer verwonde-
ren moet. Zelfs een blik op het vreemdenboek, die ons
overtuigde, hoe ten allen tijde het getal onzer lot- en leed-
genooten legio was, kon mijn stillen spijt niet genezen.
Maar wat vermögt de hoop niet op een' helderen middag ,
uit een vreugdeloozen morgen geboren ? Werkelijk scheen
hier en daar het nevelgraauw een weinig te scheuren. In
de rigting van Küssnacht daalden wij den Eigitop af, en
met elke schrede kwamen wij meer nabij aan een streek,
waarvan ik reeds daarboven een klein gedeelte gezien had,
doch die zich thans voor ons uitbreidde met al hare
schoonheden, als wilde zij ons vergoeding bieden voor
het pas ondervonden gemis. Wij naderden de oevers der
Vierwaldstattersee.
In minstens drievoudig opzigt Was mij het meer der vier
kantons, het hoogste van alle Zwitsersche meeren, merk-
waardig. Allereerst om de stad, waarhenen ons de water-
togt voeren zou, het bevallig Lucern. Ik had het hooren
roemen om zijne heerlijke ligging in het midden der ber-
gen, meer nog dan om zijne inwendige schoonheid. De
eerste aanblik^mogt dan ook in waarheid betooverend hee-
ten. Wel bleek het ons aldra, dat de straten der binnen-
stad niet weinig afstaken bij de prachtige huizen , die aan
de kade nabij het meer zijn gebouwd. Maar wij mogten
zelfs over de eerste niet klagen immers zij voerden ons
naar een der heerlijkste kunstgewrochten, waarop niet